Vier de liefde

“Kijk, ik heb echt niks tegen homo’s, maar dat zo open en bloot zoenen op straat hoeft van mij niet hoor!”

Het is dinsdag 11 oktober en ik sta in de supermarkt een bak kwark, wattenschijfjes en een doosje thee in mijn mandje te laden. Terwijl ik sta te twijfelen of ik niet eens een keer zal afwijken van mijn sterrenmunt thee-verslaving, vang ik het gesprek op tussen de twee dames. Nieuwsgierig vraag ik me af hoe ze zo tussen de doosjes Pickwick ineens op het onderwerp homoseksualiteit zijn aanbeland. Totdat ik me bedenk dat het vandaag Coming Out Day is.

Al afrekenend bij de kassa blijft het ene zinnetje maar door mijn hoofd spoken. Een op zich tolerante uitspraak (‘want ze heeft toch echt niks tegen homo’s’), die door de tweede helft ervan echter totaal teniet wordt gedaan. Want als je niks tegen homo’s hebt, waarom zouden zij hun liefde dan niet in het openbaar mogen tonen? Omdat het anders is? Omdat je zoenen in het openbaar sowieso niet vindt kunnen? Of omdat je wellicht toch niet zo tolerant bent als dat je zelf denkt?

Want, hoe tolerant zijn we eigenlijk? Ik zou zo in mijn omgeving niemand kunnen noemen die iets tégen homo’s heeft. Of lesbiennes. Of biseksuelen. Maar is dat wel echt zo? Schijntolerantie komt vaker voor dan je denkt. En niet alleen op het vlak van geaardheid.

“Ik heb niks tegen homo’s, maar mijn eigen kind zie ik toch wel graag heteroseksueel.”
“Ik heb niks tegen buitenlanders, maar ik hoef ze niet naast me te hebben wonen.”
“Ik heb niks tegen moslims, maar die moskeeën bouwen ze maar mooi in hun eigen land.”

Tolerantie tot en met je comfortzone. We vinden het allemaal prima, zolang we er maar niet te direct mee te maken hoeven te krijgen. Want twee mannen zoenend op straat, dat is toch echt net een stapje te ver. En twee vrouwen die samen een kind willen krijgen? Dat heeft moeder natuur uiteraard nooit zo bedoeld.

En dus is een dag als vandaag helaas nog steeds nodig. Een dag om de kast open te gooien, waarvan we zelf de sleutel in het slot hebben gestoken. Want wat je niet ziet, bestaat niet. Of hoeven we in ieder geval niet direct mee geconfronteerd te worden.

En dus sluiten we de liefde op. De liefde die we juist zo hard nodig hebben. Of je nou van sterrenmunt thee houdt of van sterke espresso. En of je als man nou op andere mannen valt of geaardheid helemaal niet belangrijk vindt en gewoon verliefd wordt op een persoon an sich. Het gaat niet om wie of wat of waarvan je houdt, het gaat erom dat je de vrijheid moet kunnen hebben om die liefde te kunnen tonen. Om die liefde te kunnen laten zien. Of dit nu op straat is, je slaapkamer of van mijn part de supermarkt. Kijk, je hoeft echt niet rollebollend tussen de diepvriespizza’s liggen, maar elkaar de hand niet durven reiken omdat je bang bent dat anderen er wellicht wat van vinden? De liefde is het mooiste wat een mens kan overkomen. Dat moet je niet in een kast stoppen. Dat moet je vieren.

In een opwelling haal ik het pakje sterrenmunt van de band en zeg tegen de kassière dat ik wat ben vergeten. Ik kom terug met een pakje gemixte fruitthee en een appeltaart mét slagroom. Verandering van spijs doet immers eten. En ach, als er toch wat te vieren valt, kan ik het maar beter meteen goed doen!

 

Te laat

‘Ik kom eraan hoor! Ik stap nu op de fiets!’

Ik leg mijn telefoon neer en kijk op mijn horloge. 14:05 uur. Voor mij wordt een kop koffie neergezet. Wachten met bestellen heb ik inmiddels wel afgeleerd. Voordat vriendin M er is zijn we zo een kwartier verder.

Vriendin M behoort tot de categorie mensen die altijd te laat komen. Standaard. Het lijkt alsof ze opgezadeld zijn met de pech dat er last-minute altijd iets tussendoor komt. Een mailtje, een boodschap, een ontsnapt konijn. Wat voor tijd je ook met ze afspreekt,  ze komen steevast tien minuten later aan (of moeten nog vertrekken op het moment dat ze al ergens hadden moeten zijn).

Vroeger fietste ik altijd met vriendin N naar school. Aangezien zij dichter bij woonde dan ik, fietste ik altijd bij haar langs. Maar in plaats van dat zij al buiten met haar fiets en schooltas stond te wachten, zat ze nog rustig binnen haar ontbijt naar binnen te werken. En terwijl ik onrustig van mijn ene been op de andere wipte poetste zij in slowmotion haar tanden, bedacht zich nog even welke boeken er vandaag allemaal in haar tas moesten en kamde nog één keer haar haren. Niet wetende dat de minuten op het horloge aan mijn pols zenuwslopend weg tikten.

En uiteraard kwamen we uiteindelijk altijd – hetzij op het nippertje – op tijd. Want daar waar vriendin N altijd te laat was, was ik altijd te vroeg. En nog steeds. Noem het militaire discipline die ik er vroeger door mijn vader in geramd heb gekregen (‘Beter te vroeg, dan te laat!’) of gewoon een overdreven verantwoordelijkheidsgevoel. Punt is, ik kan het gewoon niet: te laat komen. Of gewoon op tijd zijn. Ik probeer het wel eens. Maar het moment dat ik lang genoeg heb gewacht met vertrekken om precies op het juiste moment te arriveren, schiet ik alsnog in de stress om te laat te komen, met als gevolg dat ik zo hard fiets dat ik weer vijf minuten sta te koekeloeren voordat mijn afspraak op komt dagen.

Inmiddels is het 14:18 geworden en heb ik mijn cappuccino leeg. Net op het punt dat ik besluit een tweede kop te bestellen komt vriendin M aangerend. ‘Sorry, sorry, sorry! Ik was echt van plan om op tijd te vertrekken, maar toen bedacht ik me dat ik die ochtend een vlek in mijn shirt had gemaakt en dat ik vergeten was om iets schoons aan te trekken. Ik hoop dat je niet lang hebt hoeven wachten?’

‘Neuh, valt wel mee’ lieg ik.
Met vier minuten te vroeg was ik nog best aan de late kant.

Hard werken

“Maar, werk je dan ook echt hard of ben je vooral bezig met socializen, netwerken en Facebooken?”

Ik doe net alsof ik me niet verslik in mijn glas wijn, maar kan een klein proestgeluid niet onderdrukken. Het is alweer even geleden dat we elkaar hebben gezien. Laat staan dat we elkaar fatsoenlijk hebben gesproken. En ja, ik weet dat onze levens nogal van elkaar verschillen, maar soms lijken Mars en Venus niet verder van elkaar af te kunnen staan. En dan heb ik het in dit geval zelfs over twee vrouwen.

“Nou, ehh…natuurlijk is social media een groot deel van mijn werk, maar ik ben ook echt wel bezig met het organiseren van veel projecten hoor!”

Terwijl de woorden na het verslik-incident aarzelend uit mijn mond komen, hoor ik hoe ik mezelf aan het verdedigen ben. Ben ik verbaasd, verbouwereerd of denk ik stiekem dat er een kern van waarheid zit in haar uitspraak?

“Wat een onzin!”, roept een vriendin aan wie ik het incident voorleg. “Wat doet zij zelf eigenlijk? Huismoeder? Ah kijk, daar heb je het al. Die doen toch ook niets anders dan de hele dag thee drinken, koekjes bakken en tekenfilms kijken? En dan nog. Al werkte ze zich uit de naad met die billenpoetsdoekjes van d’r. Dat geeft haar nog geen recht om te zeggen dat jij niet hard werkt.”

Tja, wat is ‘hard’ werken eigenlijk? Is dat iedere dag van negen tot vijf op kantoor zitten? Is dat nachtdiensten draaien? Is dat met zware pallets slepen? Is dat op de Intensive Care werken? Is dat vlees verwerken? Is dat je gezin draaiende houden? Of tien Facebookpagina’s beheren? Ik weet het niet. Dat wat de één ervaart als hard werken, zal de ander helemaal niet als zwaar ervaren. Wat fysiek zwaar is kan mentaal een eitje zijn en andersom. Misschien moeten we de waarde van ons werk dan ook niet uitdrukken in de zwaarte ervan. Maar het plezier dat het ons oplevert. En de voldoening die het ons geeft.

Met het glas wijn nog steeds in mijn hand slik ik de rest van mijn verdedigingsspeech in. Ik hoef me niet te verdedigen. Misschien werk ik volgens mijn vriendin dan wel niet hard.”Ik ben gelukkig wel heel erg blij met mijn werk.”