Familie

‘We are family. I got all my sisters with me. We are family. Get up everybody and sing!’

Het is ergens halverwege de avond als ik het clubje mensen voor mij van een afstandje bekijk. Om het juiste perspectief te zien, moet je soms even een stapje terug doen. De buitenstaander spelen. Door je oogharen kijken naar het schouwspel voor je.

Er wordt gedanst, gezongen, gedronken, geknuffeld, gelachen.
Een mooi en tegelijkertijd vervreemdend geheel.
Daar waar op een feestje meestal gelijkgestemden elkaar treffen, lijkt deze samenkomst nog het meest op een pizza quattro stagioni: mensen zo verschillend als zomer en winter, die samen toch een unieke combinatie weten te vormen.

Het is een gek iets, familie.
Het zijn mensen die je niet hebt uitgekozen. Mensen met wie je normaal gesproken misschien niet eens een klik mee zou hebben. Omdat ze anders zijn. Andere opvattingen hebben. Andere interesses.

Je zou dit kunnen betreuren.

Maar beter nog zou je dit kunnen omarmen.
Zou je een stapje terug moeten doen, om in het perspectief van een buitenstaander te kunnen zien hoe bijzonder het is dat familiebanden verschillen kunnen doen overstijgen. Dat je in alle verschillen ook de schoonheid kunt zien. En wellicht ook de gelijkenis.

Door mijn oogharen heen kijk ik naar rechts. Daar waar in een groen beklede stoel de vrouw zit die het deeg voor deze pizza heeft gekneed. Stil in een hoekje observeert zij het geheel met een glimlach. Voor een seconde kruisen onze blikken elkaar, dan doe ik een stap naar voren en stort me in de dansende menigte.

‘We are family. I got all my sisters with me. We are family. Get up everybody and sing!’

Advertenties

Nooit meer

de caravan schoon
de was nog op een
hoop
herinneringen

goede
voornemens

vanaf nu gaan we het anders
ja echt
vanaf nu
ja echt
echt
waar

maar eerst

het laatste vlekje
het laatste hemdje

de wijn
anders
het stokbrood
klef

zoals alles

alles

behalve wij

behalve
dat wat wij ooit waren

en nooit meer zullen zijn

boven piept de wasmachine
en buiten ruikt het naar oktober

Groep drie

‘In welke groep zit jij nu? Drie? Ik ook!’

Het blonde jongetje knijpt met beide vuistjes in de hengels van zijn Paw Patrol rugzak. Zijn ogen glimmen. Een mengeling van gezonde spanning en opwinding.

Groep drie.
Boom, roos, vis, vuur, mus, pim, kees, miep, bel, boek, raam, de school.
Ik kan het rijtje een kleine dertig jaar na dato nog steeds zonder nadenken opdreunen. Zo’n waslijntje met tekeningen eraan. En daaronder woorden. Woorden die met letters betekenis gaven aan wat er op het plaatje stond. Magisch vond ik dat. Kunnen lezen. Kunnen schrijven. Er ging letterlijk een wereld voor mij open. Hoewel in eerste instantie vooral een wereld vol liefdevolle spellingsfouten (‘Ik vint jou lief mamma. Ik ben furlieft op jou.’)

Ik kijk naar het jongetje en vraag me af of hij vandaag ook zijn eerste woord aan de waslijn krijgt. En bedenk me dan dat waslijnen met woorden tegenwoordig waarschijnlijk niet meer bestaan. Laat staan dat kinderen in groep drie beginnen met het woord ‘boom’. Als ik vriendinnen met kinderen moet geloven, kunnen de meesten op die leeftijd al tot ‘t(h)ree’ tellen en hebben ze hun eerste cito-toetsen ruimschoots achter de rug. Daar kunnen Pim, Kees en Miep nog een puntje aan zuigen.

Dan, vlak voordat ik de hoek omsla, hoor ik nog net hoe het jongetje voor de poort van de school afscheid neemt. ‘Dag mama, daaaag! Ik vind jou lief!’
De moeder blaast een lucht-kus toe en probeert niet te laten merken dat haar ogen langzaam vochtig zijn geworden.

Groep drie.
Ik wens ze een jaar vol liefdevolle spellingsfouten toe.