Zakje

Daar loop ik dan. Met mijn zakje.

Of, nou ja, theoretisch gezien is het eigenlijk Bert’s zakje. Maar in de praktijk loop ik er toch echt mee rond. En dat voor een universiteitsmeisje.

Bert heeft echter lak aan wie of wat voor opleiding dan ook. Zolang hij maar met je mee naar buiten mag. Ik ben de beroerdste niet dus Bert mag van mij kiezen waar we heen gaan. Linksom? Of toch rechts vandaag?

Het zakje bungelt tussen mijn vingers. Ik probeer me voor te stellen dat het een geplette boterham is. Een stuk nat geworden ontbijtkoek. Even ruik ik aan mijn vingers.
Gelukkig. De angst is erger dan de waarheid.

Bert doet ondertussen of zijn neus bloedt. En steekt voor het gemak die neus meteen ook maar in andermans zaken. Schuurtjes, vuilnisbakken, lantaarnpalen. Onze wandeltocht bestaat uit snuffels en drupjes.

Langzaam voel ik de warmte uit het zakje opstijgen.
Ik probeer te denken aan warme appeltaart. Versgebakken pepernoten (het is immers alweer eind augustus). Maar hoe hard ik het ook probeer.

En ik weet dat anderen het zien.
En dat Bert – Bertje voor intimi – het ook weet.

Een zakje poep maakt van een universiteitsmeisje nog geen Sinterklaas.

Advertenties

Home

Home is where de vazen twee aan twee symmetrisch in de vensterbank staan.

Een vrouw lapt de ramen.
Twee emmertjes water. Eén voor schoon en één voor vies.
De poes soest buiten de straal van water spattend risico in de vroege ochtendzon.
Gerinkel van fietsen over de klinkers. Lamme fietsbellen klingelen als ijscokarren over de drempels. Opgetogen stemmen. Richting zwembad of de HEMA. Bijna gratis ontbijten met croissants is lekkerder dan het ontbijt thuis overslaan.

De buurman groet. Zijn aktetas zwart. Net zoals zijn auto, maar dan minder glimmend.
Zijn hoofd glimt wel steeds meer, denkt de buurvrouw. In haar lichtroze ochtendjas kijkt ze hem vanachter het raam na. Ze zwaait. Hij draait de hoek om. Ze zucht. En kijkt omlaag. Ze schuift de linkervaas een stukje naar rechts.

Zo. Laat de nieuwe dag maar beginnen.

Achtbaan

‘Je weet dat het leven geen achtbaan is waarbij je maar achter elkaar op volle snelheid loopings kan nemen hè?’

Net op het moment dat ik wil zeggen dat ik dol ben op achtbanen en dat loopings sowieso beter zijn dan kurkentrekkers, realiseer ik me dat beeldspraak niet altijd het beste te bestrijden is met letterlijke antwoorden.

‘Ik bedoel, soms moet je ook even rust nemen. Gas terug. Niks doen.’

Niks doen.
Met mijn hoofd nog vol in de looping, knalt mijn karretje ineens met een grote schok tot stilstand. De beugels gaan omhoog. Ik moet eruit.

Ik moet eruit maar ik wil niet.
Ik wil nog een keer. En nog een keer.
Kriebels voelen. In mijn buik.
Adrenaline pompen. Met tweehonderd hartslagen per minuut.

‘Verveel jij je eigenlijk wel eens?’

Ja, als ik in die suffe zwanenbootjes moet. Wil ik zeggen.
Maar ik zeg het niet.