Fantasiehond

Sinds enkele weken fantaseren we af en toe hoe het zou zijn om een hond te hebben. Een vrij levendige fantasie, die zich ’s ochtends zelfs manifesteert in de serieuze vraag: ‘Laat jij de hond uit of ik?’

Het is flink wat werk, zo’n fantasiehond. Want hoe gaat ie heten, hoe pakken we het aan in de opvoeding en wie trotseert op gure herfstavonden weer en wind als we na een late verjaardag moe thuiskomen en eigenlijk direct naar bed willen?

‘Jij mag de puppycursus doen’, zeg ik.
‘Jij bent veel consequenter en strenger’, constateer ik als ik onze huidige niet-fantasie-kat voor de tweede keer snoepjes geef omdat ik het aanhoudende gemiauw om wél lekker voedsel niet meer kan negeren.
Ik krijg er behalve een zelfvoldane blik verder niks voor terug.

Dat zal met de fantasiehond wel anders zijn. Geef poot, zit stil, lig dood, breng krant. Brrrrraaf!
Het oefenen met de rollende R gaat steeds beter.

Daar waar ik met de kat vaak fantaseer hoe het zou zijn om hem mee te nemen voor een wandelingetje of een ritje op de fiets (lees: de hel), zou dit met de fantasiehond juist geen enkel probleem zijn. Sterker nog, onze fantasiehond is een Toller en die houdt zelfs van zwemmen! Hoeveel toller wil je het hebben?

Het enige probleem is wel, dat je de fantasiehond niet lang alleen kan laten. En dat hij met vakanties niet akkoord gaat met slechts een oppas-opa die een half uurtje langskomt voor brokjes en een potje kroelen.
Nee, een beetje hond moet er toch minstens drie keer per dag uit. Je moet zijn poep opruimen en zijn haren kammen. Je moet hem wassen als hij in de modder heeft gerold. Je moet hem corrigeren als hij niet luistert. Je moet geduld hebben als je hem dingen wilt leren.

‘Eigenlijk is een hond net een klein kind’, vermeldt een collega nuchter.

En poef. Weg is de magie.
Soms kan een fantasie maar beter fantasie blijven.

Advertenties

Van leven ga je dood

Onlangs gingen er mensen dood.
Dit gebeurt wel vaker. Het schijn inherent te zijn aan het leven.
Van leven ga je dood.

Soms is hij mooi op tijd. Dat je net de deur op een kier zet en dat hij er dan precies is.
Maar vaak komt hij ook onverwacht. Te vroeg. Vaak.
En soms vergeet hij wel eens een afspraak. Komt hij te laat. Of, nou ja, later dan gewenst. Want één ding is zeker: van uitstel komt geen afstel.
Van leven ga je dood.

Normaal gesproken is de dood vaak ver weg. Is het iets waarvan je weet dat het er is, maar waar je tegelijkertijd niet bewust mee bezig bent.
Je hart slaat. Je ademt. Het gaat bijna vanzelf, dat leven.
Maar nu kwam het ineens dichtbij. Niet zo dicht dat hij als een vriend naast me kwam zitten. Maar wel zoals die ene kennis, die je zo af en toe op een verjaardag ziet. De kennis die het altijd zo goed weet. De betweter.
Van leven ga je dood.

Terwijl ik in bed lig luister ik naar mijn ademhaling. Ik voel mijn borst op en neer gaan en hoor mijn hartslag met een dof klinkend geluid het bloed door mijn aderen pompen. Ik hoef er niks voor te doen. Het gaat vanzelf. Een rustgevende en tegelijkertijd onheilspellende gedachte. Want je bewust worden van iets waar je geen controle op hebt, is als in een waterval springen en niks anders kunnen dan je met de stroom mee laten glijden.

De stroom van geboorte naar leven naar…

Beneden wordt een plaat opgezet. Klanken en klinkers vullen de kamer. Ik laat mijn adem en hartslag voor wat het is en luister:

Het leven is tijdelijk en de dood is onvermijdelijk
Maar stel dat je niet dood kon gaan
Dan had je stomweg niet bestaan
Wees blij dus dat je straks mag sterven
En laat het je leven niet bederven*

Van leven ga je dood.
En jij ook.
En ik ook.

*Klein Orkest – Over 100 jaar

De meeste mensen

De meest gestelde vraag met het meest lastige antwoord om te geven, is in mijn geval: ‘Moet je morgen werken?’

Het is een simpele en op het eerste oog heel logische vraag. Althans, voor de meeste mensen. Het probleem is echter dat ik de meeste mensen niet ben en dat ik dus ook niet, net als die meeste mensen, een baan heb waarvan je wordt geacht om er op bepaalde dagen of tijdstippen te moeten zijn.

En als je iets niet moet, dan worden mensen (althans, de meeste dus) al snel argwanend. Want hoezo moet jij niet werken? We moeten toch allemaal werken? Iets met geld en huur en hypotheek en vaste lasten en…vul het rijtje maar aan. En nee, ik zal dat argument zeker niet ontkennen. De laatste keer dat ik checkte stond er namelijk geen clichématige geldboom in de tuin en kreeg ik bij het afrekenen van mijn boodschappen niet van het kassameisje te horen ‘och, laat dat afrekenen maar zitten, het is wel goed zo.’

Maar wat als je niet moet, maar je moet wel geld verdienen? Wat dan?
Gelukkig bestaat er naast zoiets als moeten werken ook nog zoiets als mogen werken.
Werken wanneer je wil en ook nog eens op de plek die je voorkeur heeft. Thuis, in een koffietentje, op een flexplek of – voor mijn part – zelfs in een kantoorpand.

Klinkt als een sprookje?

Wel eentje waarvan het plezier soms doorgaat tot in de late uurtjes. Of in het weekend. Of op andere momenten dat veel mensen niet moeten.

De meeste mensen niet moeten.

Net zoals ik.

Ik moet niks.
Ik mag.