Onbevangen

Normale mensen zouden stoppen met zingen als iemand plotseling binnen komt vallen. Zij niet. Zij draaide zich een fractie van een seconde om, glimlachte, en zong onverminderd door.

Het was echter niet haar zang – die niet slecht maar ook niet bovengemiddeld goed was – wat mij het meeste raakte. Er zat iets in haar blik, in haar onbevangen oogopslag, wat een stukje bewondering bij me losmaakte. Een tikje jaloezie zelfs. Onbevangenheid is misschien wel het grootste goed dat een mens kan hebben, dacht ik.

Net op dat moment draait ze zich naar me om. Het liedje is afgelopen.
En nog voordat ik iets heb kunnen zeggen of vragen, begint ze uit zichzelf te vertellen. Alsof ik één van haar beste vriendinnen ben. Zonder barrière van leeftijd, gebrek aan kennis, of gehinderd door het feit dat ze mij tot tien seconden geleden nog nooit had gezien.

Mijn bewondering groeit. Mijn jaloezie ook.
Ik ben me er bewust van dat de jaloezie voortkomt vanuit een gebrek bij mezelf. Vanuit een gemis iets te hebben, wat ik lang geleden voor een groot deel heb verloren. Of misschien zelfs nooit helemaal heb gehad?

Zo plots als onze ontmoeting begon, zo plots is deze alweer voorbij.
Ik wil haar eigenlijk bedanken. Maar voordat ik heb bedacht hoe en wat ik eigenlijk zou willen zeggen, is ze alweer verdwenen.

De eerste tonen van een nieuw liedje klinken.
Ik sluit mijn ogen, haal adem,

en zing.

 

 

Advertenties

Misschien ook niet

Het leukste van stukjes schrijven is dat je van de kleinste en gekste dingen een heel verhaal kan maken.

Het minst leuke van stukjes schrijven is dat mensen je vaak met de kleinste en gekste dingen lastigvallen waar je een heel verhaal van zou kunnen maken.

“Dáár zou je nou echt een blog over moeten schrijven!”

Ja.
En misschien ook niet.

Kattenkind

Ooit schreef ik: Een kind is geen kat.

Of een kat is geen kind.

Gelukkig komen beide perspectieven ongeveer op hetzelfde neer.
(Hoewel kinderhouders de eerste versie wellicht als denigrerend op zouden kunnen vatten – ‘Hoezo, wat heeft een kat dan wel wat een kind niet heeft?!’ – en kattenhouders de tweede versie als een opluchting. Of teleurstelling).

Afijn. Hoe je de interpretaties er ook op los laat: een kind en een kat zijn niet dezelfde wezens. Al was het alleen maar omdat je een kat ’s avonds wel zonder oppas alleen thuis kan laten, maar je kinderen weer beter kan leren om de rotzooi achter hun kont op te ruimen. En zo zullen er vast wel meer voor- en nadelen zijn.

Dat ik een kat heb en geen kind, maakt dat ik biologisch gezien geen moeder ben. Ook zijn de kansen erg groot dat ik statistisch gezien later eerder een gek oud kattenvrouwtje word in plaats van een gekke oma. Tot zover mijn kennis van biologie en wiskunde.

Het punt is alleen een beetje, dat ik in de relatie met mijn kat soms stukjes van mijn moeder in mijzelf herken. En dat je blijkbaar ook zonder voormalig navelstrengcontact bepaalde oergevoelens kan hebben, die vergelijkbaar zijn met de relatie van moeder tot kind.

Niet dat ik weet hoe het is om een kind te hebben.
Of dat ik mijn kat een kind zou durven noemen.

Een kattenkind daarentegen…
Dat zijn een soort hulpeloze baby’s, eigenwijze peuters en irritante pubers ineen.
Afhankelijk én zelfstandig.
Achter het behang of op schoot.

Maar als ze ziek zijn, dan kijk je reikhalzend uit naar het moment dat ze gewoon weer zeiken en zaniken om snoep.