Nooit meer

de caravan schoon
de was nog op een
hoop
herinneringen

goede
voornemens

vanaf nu gaan we het anders
ja echt
vanaf nu
ja echt
echt
waar

maar eerst

het laatste vlekje
het laatste hemdje

de wijn
anders
het stokbrood
klef

zoals alles

alles

behalve wij

behalve
dat wat wij ooit waren

en nooit meer zullen zijn

boven piept de wasmachine
en buiten ruikt het naar oktober

Advertenties

Groep drie

‘In welke groep zit jij nu? Drie? Ik ook!’

Het blonde jongetje knijpt met beide vuistjes in de hengels van zijn Paw Patrol rugzak. Zijn ogen glimmen. Een mengeling van gezonde spanning en opwinding.

Groep drie.
Boom, roos, vis, vuur, mus, pim, kees, miep, bel, boek, raam, de school.
Ik kan het rijtje een kleine dertig jaar na dato nog steeds zonder nadenken opdreunen. Zo’n waslijntje met tekeningen eraan. En daaronder woorden. Woorden die met letters betekenis gaven aan wat er op het plaatje stond. Magisch vond ik dat. Kunnen lezen. Kunnen schrijven. Er ging letterlijk een wereld voor mij open. Hoewel in eerste instantie vooral een wereld vol liefdevolle spellingsfouten (‘Ik vint jou lief mamma. Ik ben furlieft op jou.’)

Ik kijk naar het jongetje en vraag me af of hij vandaag ook zijn eerste woord aan de waslijn krijgt. En bedenk me dan dat waslijnen met woorden tegenwoordig waarschijnlijk niet meer bestaan. Laat staan dat kinderen in groep drie beginnen met het woord ‘boom’. Als ik vriendinnen met kinderen moet geloven, kunnen de meesten op die leeftijd al tot ‘t(h)ree’ tellen en hebben ze hun eerste cito-toetsen ruimschoots achter de rug. Daar kunnen Pim, Kees en Miep nog een puntje aan zuigen.

Dan, vlak voordat ik de hoek omsla, hoor ik nog net hoe het jongetje voor de poort van de school afscheid neemt. ‘Dag mama, daaaag! Ik vind jou lief!’
De moeder blaast een lucht-kus toe en probeert niet te laten merken dat haar ogen langzaam vochtig zijn geworden.

Groep drie.
Ik wens ze een jaar vol liefdevolle spellingsfouten toe.

Kort verhaal (2)

Jasper sloot de deur.
Ze was weg.

Had hij haar tegen moeten houden? Had hij haar – veel te zware, want licht pakken was zeg maar niet echt haar ding – weekendtas van haar schouders moeten trekken? Of is het goed zo? Is het goed dat ze er zelf binnen een paar dagen achter komt dat ze dit beter niet had kunnen doen en dat hij kan zeggen wat ze stiekem vast wel weet dat hij gaat zeggen: ‘zie je nou wel’.

Jasper loopt de kamer in. Op de eettafel rest het stilleven van een onafgemaakt ontbijt. Een halve bak kwark naast een koffiekopje met lipstick. Of nee, geen kopje. Een mok. Háár mok. De kat kijkt vanuit zijn mand met een schuin oog toe als Jasper de vaatwasser inruimt. Het is bijna alsof hij het beest kan horen denken wat hij weet dat zij zou zeggen. Dan draait hij de borden toch maar om.

Hij begrijpt wel en niet waarom ze dit wil. Net zoals hij veel dingen van haar wel en tegelijkertijd niet begrijpt. Het was precies wat hem in haar aantrok. Elin, het meisje met wilde plannen zonder doel. Het meisje dat hij bewondert om haar impulsiviteit en haat om haar wispelturigheid. Net zoals hij weet dat zijn nuchterheid haar omhelst en afstoot tegelijkertijd. Ze vullen elkaar aan, maar weten daarbij niet alle leegtes te vinden.

En nu is ze weg. En dat voelt vreemd en als een opluchting tegelijkertijd. Niet omdat hij wilde dat ze weg zou gaan, maar omdat ze nu in ieder geval zelf kan ondervinden dat ze beter niet had kúnnen gaan.

Soms voelt hij zich als haar vader. Belerend, maar ook bezorgd.
Zuchtend laat hij zich zakken op de bank. Twee ogen kijken hem vanuit de vensterbank meewarig aan.

‘Ja Flip, soms moet je mensen de ruimte geven domme dingen te laten doen.’