Pipi Langkous

‘Mevrouw, hoe oud bent u?’

Hoe vaak ik deze vraag de afgelopen weken heb gehad weet ik niet. Wel weet ik dat ik er de klok inmiddels bijna op gelijk kan zetten. Niet dat de vraag ook maar iets met het onderwerp te maken heeft. Eerder met de nieuwsgierigheid van de doelgroep. De meest irrelevante dingen willen ze van je weten. Het begint met je leeftijd en eindigt bij de naam van je huisdier (‘Ik vind Panda wel een beetje een gekke naam voor een kat hoor mevrouw!’)

Aan eerlijkheid geen gebrek. Aan de afwezigheid van bladeren voor de mond ook niet.

‘Wow mevrouw, u bent net zo oud als mijn moeder!’

In de spiegel op het toilet tel ik de rimpels om mijn ogen en laat ik de cijfers van mijn leeftijd op me inwerken. Gek hoe zoiets abstracts soms ineens toch concreet zichtbaar is.
Ik werk mijn lippenstift nog even bij en stap dan terug de klas in.

Vier-en-dertig.
Ik had inderdaad hun moeder kunnen zijn.

‘Maar ik vind u er wel cooler uitzien hoor mevrouw! Weet u, eigenlijk lijkt u een beetje op Pipi Langkous. Maar dan de wat oudere versie.’

Eerlijkheid duurt het langst.
En je bent nooit te oud om Pipi Langkous te zijn.

Kort verhaal (3)

Elin staarde naar haar scherm.

Hoofdstuk 1 __

Ze had de letters al vergroot en verkleind, vet gemaakt en toch weer ongedaan. Verder dan dat was ze nog niet gekomen. Ja, het gebruikelijke rondje Twitter, Facebook, Instagram en NU.nl. Met als excuus dat ze daar vast wel inspiratie uit zou halen. Terwijl ze heus wel wist dat dit excuus al vele rondjes eerder was gesneuveld en dat het haar behalve inspiratie vooral verloren tijd en schattige doch zinloze kattenfilmpjes opleverde.

Hoe zou het zijn met Flip? Zou Jasper niet vergeten dat hij het speciale dieetvoer écht af moest wegen en dat hij, hoe hard er ook werd gemauwd, niet mocht bezwijken voor een zakje feestelijk natvoer, omdat daar behalve feest eigenlijk alleen maar plakpoep van komt? Aan de andere kant; hij moest het nu zelf ook opruimen. Dan zou het feesten hem wel snel vergaan.

Het was haar idee geweest. De kat.

Net zoals het haar idee was geweest om nu weg te gaan. En hoewel hij het niet wilde – zowel de kat als haar vertrek -, had hij haar niet tegen gehouden.

Hij hield haar nooit tegen.
Deed hij dat maar eens, dacht ze.

Hoofdstuk 1 __

Elin zuchtte.
Ze klikte het document weg en opende haar mail. Nog zo’n voornemen dat aan slechte excuses ten onder was gegaan. Blijkbaar woog haar idee om een tijdje niet bereikbaar te zijn minder zwaar dan haar verlangen om onmisbaar te zijn.

Wel lezen, niet beantwoorden.
Schaarste creëren, overvloed oogsten.
Jij hebt mij nodig, en ik laat niet merken dat ik jou nog veel erger mis.

Dan ineens valt haar oog op dat ene mailtje. Die ene naam, waarvan ze dacht dat ze die voorgoed uit haar geheugen had gewist:

Felipe Keyzers.

Het vooroordeel voorbij

Onlangs kwam ik door bekkenklachten in de wachtkamer van een chiropractor terecht. Wachtkamers zijn ruimtes die precies zo heten als waar ze voor bedoeld zijn: wachten. Zitten in een vacuüm van tijd, waarin je niks anders kunt doen dan tijdschriften lezen met kersttips van 2017 of ongemakkelijk voor je uit zitten staren samen met andere mensen die zich net zo ongemakkelijk voelen.

Ditmaal werd het wachtkamer vooroordeel echter doorbroken door een vrolijke ‘hallo mevrouw!’ bij binnenkomst. Een jongetje van een jaar of drie zwaaide me vrolijk toe. Naast hem zat zijn moeder. Een jonge vrouw met een knot in het haar, lichtroze blouse en een bruine rok tot net over de knie. Ze knikte en glimlachte naar me.

Aan de balie stonden twee mannen. Zo te horen sprak de oudste man geen Nederlands en had hij zijn zoon meegenomen om te helpen vertalen en een nieuwe afspraak voor hem in te plannen. Toen ze de deur uitliepen werden ook zij nageroepen door het jongetje. ‘Daahaag! Daahaag!’ De moeder lachte en de mannen lachten en zwaaiden terug.

Langzaam voelde ik me warm worden vanbinnen. Ik voelde dat ik geraakt werd door dit tafereel en dat ik bij mezelf dacht: ‘Wat mooi dat dit zo kan. Dat zulke mensen gewoon normaal met elkaar om kunnen gaan.’ Totdat ik me besefte wat een kromme en zelfingenomen gedachte dit eigenlijk was. En hoe vol van vooroordelen bovendien. Want waarom zouden zulke mensen niet normaal met elkaar om kunnen gaan? En wie zijn ‘zulke mensen’ dan eigenlijk?

Het warme gevoel maakte plaats voor schaamte. Een beetje triestheid bovendien. Triestheid over dat we blijkbaar nog steeds in een wereld leven waarin bovenstaande wachtkamertaferelen niet gewoon de alledaagse werkelijkheid zijn. En dat we ons er dus nog steeds over verwonderen. Met alle vooroordelen van dien.