Seconden

Die ene seconde schrik, als je mensen in een tv-serie elkaar de hand ziet schudden.
Die twee seconden afweging, of je bij een tegenligger links of rechts zal uitwijken. 
Die drie seconden extra, waarmee je steeds opnieuw je handen wast.
Die vier seconden geduld, als iemand voor je de klaphekjes van de supermarkt passeert. 
Die vijf seconden wachttijd, voordat je het scherm van de NOS weer ververst.

Het zijn die paar seconden, die bijna ongrijpbare momenten van tijd, die het verschil markeren. Tussen toen en nu. Tussen voor en na. Maar ook tussen wat eens gewoon en nu nieuwe werkelijkheid is.

Het zijn die kleine seconden, die nu het leven domineren. 
De reflex, de gedachte. Die ene nanoseconde gedachte dat alles en iedereen een gevaar lijkt te zijn.

Gelukkig is tijd niet meer dan een verzinsel. Niet meer dan wat woorden om iets ongrijpbaars te kunnen begrijpen. Terwijl het enige dat we hoeven te begrijpen, is dat tijd verstrijkt. Snel of langzaam. Wie zal het zeggen?

Eén ding is zeker: alles gaat voorbij.

En als je dan toch de seconden telt, vergeet dan niet ook je zegeningen erbij op te tellen.

 

Rare tijden

Het zijn gekke dagen.
Het zijn rare tijden.

De zinnen, de woorden, ze komen steeds opnieuw voorbij.
In mails, aan de telefoon, op anderhalve meter afstand in de supermarkt tussen de kroppen sla en de broccoli. Ze gonzen door de ruimte, net zo onzichtbaar en ontastbaar als het virus zelf.

Het is alsof ik me in een soort twilight zone begeef. Het ene moment voelt alles als een droom, als een surrealistische werkelijkheid waar we weldra uit zullen ontwaken. Het volgende moment lijkt de werkelijkheid nog harder toe te slaan dan normaal. Zoals je moeder die op zondagochtend voor tienen de gordijnen opentrekt. Alleen dan niet om je te vertellen dat het zo heerlijk zonnig is buiten.

Het is alsof ik me ergens begeef in een stadium tussen licht en donker.
Is dit echt?
Ja dit is echt.

Het enige dat op scherp staat deze dagen, dat zijn mijn zintuigen. Het is net alsof ze, met een antireactie op het verlammende nieuws, meer waarnemen. Ik zie meer, ik voel meer, ik ruik meer…

Nooit eerder proefde de pas ontluikende lente zo fris en zoet. Niet eerder had ik zoveel oog voor plekken in mijn buurt die ik nog niet kende. Ik kijk omhoog en zie gevels, kreukels, barstjes. En vergis ik me als ik het gevoel heb dat mensen elkaar vaker vriendelijk gedag zeggen?

Het zijn gekke dagen.
Het zijn rare tijden.

Maar de tijd loopt door en een nieuwe wereld ontwaakt.

Familie

We zouden een heel weekend samen zijn.
Samen. In een huisje.
Aparte kamers uiteraard.
En we hoefden ook heus niet alles samen te doen. Nee, gewoon ieder zijn eigen gang. Je eigen ding doen. Maar toch ook samen zijn.

Samen.

Het voelt vreemd. Vreemd en vertrouwd tegelijkertijd.

Het gekibbel. De grapjes.
De grapjes die anderen niet zouden snappen.
He gekibbel waar anderen hun wenkbrauwen bij zouden optrekken.
Maar waarvan wij weten dat het gewoon onze gemeenschappelijke koppigheid is. Koppigheid die vanzelf weer overwaait. Waarna gewoon weer grappen worden gemaakt over lekkere kontjes en mijn zusje na het ontbijt bijna bij mij op schoot kruipt om mijn wenkbrauwen bij te werken, want ‘deze bossen kunnen echt niet’.

Dingen die alleen zij kunnen zeggen.
Dingen die alleen zij weten.
Maar ook dingen die zij niet meer weten. Niet meer snappen. Omdat met het groeien naar volwassenheid sommige takken naar een andere kant groeien. En er soms ook nieuwe stekjes bijkomen.

Maar zoals appels niet ver van de boom vallen, zo blijven ook de stekjes door middel van hun trekjes via de wortels met elkaar verbonden.

‘Jullie zijn soms met zijn allen net zo onbuigbaar als een stuk hout’, zegt hij als we na het weekend naar huis rijden.

Familie.
Alleen daar kan het vreemde vertrouwd voelen.