Onweer

Met mijn hoofd in het kuiltje van jouw oksel, luister ik naar het bonzen van je hart.

De nacht plakt. Een mug zoemt.

Met de gordijnen open, liggen we in het donker te wachten op het naderend onweer dat niet komt. Weerlichten vullen de kamer met een flitsend schaduwspel. De kat kijkt met een schuin hoofd naar buiten, maar zijn angst wint het van de nieuwsgierigheid.

De wind zwelt aan en dan plots, herinner ik me een scène uit Bert en Ernie.
Over Marietje die met een flits een foto maakt, waardoor mensen van schrik met luid kabaal allemaal spullen op de grond laten vallen. Een kegelbal, blikken tomatensoep. Onweer met een vleugje jeugdsentiment.

De spullen die nu op de grond vallen klinken ver weg. Het knipperen van de weerlichten werkt bijna hypnotiserend.
Langzaam worden mijn oogleden zwaar. Met mijn hoofd in het kuiltje van jouw oksel, luister ik naar het bonzen van je hart. Het klinkt als donder in de verte.

Flits boem. Flits boem. Flits boem.

Je arm houdt mij vast.
Jij laat me niet vallen.

Advertenties

Leegte

En dan is daar na de ontlading altijd de leegte.
Het vreemde gevoel van schaamte na het wegebben van de adrenaline.

‘Ik ben soms zo moe van mezelf.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Letterlijk, zoals ik het zeg.’

Het was er het afgelopen weekend allemaal.
De spotlights, het podium, het publiek, het applaus.
Het middelpunt.

Ik zou liegen als ik zou zeggen dat ik er niet van geniet. Dat ik liever voor dan achter de schermen sta. Iets wat ook inherent is aan de dingen die ik doe. En waar ik mijn brood mee verdien. Zonder spotlight geen zichtbaarheid, zonder podium geen publiek.

En ik wil meer. Mezelf ontwikkelen. Meer doen van dat waar mijn hart ligt.
Maar blijkbaar ligt mijn hart daar waar het soms overstroomt van aandacht. En het zich vertakt in stroompjes van ongemakkelijkheid.

In druppels van schaamte.

Want waarom ik? Waarom die aandacht? Wie denk ik wel niet wie ik ben?
Waarom gaat applaus naar degenen die er het hardst om roepen? Zijn het de aandachtstrekkers die de aandacht krijgen? Hoe zit het met de schoonmakers, de verplegers, de gemeentewerkers, de docenten? De mensen die gewoon zijn in plaats van wíllen zijn?

‘Ik zou het helemaal niet willen.’
‘Wat niet?’
‘Dat podium, die aandacht.’
‘Wat wil je dan wel?’
‘Nou, een stapel versgebakken pannenkoeken zou best fijn zijn.’

Applaus of een pannenkoek.

En zo zoeken we allemaal een manier om de leegte op te vullen.

Fantasiehond

Sinds enkele weken fantaseren we af en toe hoe het zou zijn om een hond te hebben. Een vrij levendige fantasie, die zich ’s ochtends zelfs manifesteert in de serieuze vraag: ‘Laat jij de hond uit of ik?’

Het is flink wat werk, zo’n fantasiehond. Want hoe gaat ie heten, hoe pakken we het aan in de opvoeding en wie trotseert op gure herfstavonden weer en wind als we na een late verjaardag moe thuiskomen en eigenlijk direct naar bed willen?

‘Jij mag de puppycursus doen’, zeg ik.
‘Jij bent veel consequenter en strenger’, constateer ik als ik onze huidige niet-fantasie-kat voor de tweede keer snoepjes geef omdat ik het aanhoudende gemiauw om wél lekker voedsel niet meer kan negeren.
Ik krijg er behalve een zelfvoldane blik verder niks voor terug.

Dat zal met de fantasiehond wel anders zijn. Geef poot, zit stil, lig dood, breng krant. Brrrrraaf!
Het oefenen met de rollende R gaat steeds beter.

Daar waar ik met de kat vaak fantaseer hoe het zou zijn om hem mee te nemen voor een wandelingetje of een ritje op de fiets (lees: de hel), zou dit met de fantasiehond juist geen enkel probleem zijn. Sterker nog, onze fantasiehond is een Toller en die houdt zelfs van zwemmen! Hoeveel toller wil je het hebben?

Het enige probleem is wel, dat je de fantasiehond niet lang alleen kan laten. En dat hij met vakanties niet akkoord gaat met slechts een oppas-opa die een half uurtje langskomt voor brokjes en een potje kroelen.
Nee, een beetje hond moet er toch minstens drie keer per dag uit. Je moet zijn poep opruimen en zijn haren kammen. Je moet hem wassen als hij in de modder heeft gerold. Je moet hem corrigeren als hij niet luistert. Je moet geduld hebben als je hem dingen wilt leren.

‘Eigenlijk is een hond net een klein kind’, vermeldt een collega nuchter.

En poef. Weg is de magie.
Soms kan een fantasie maar beter fantasie blijven.