Doosje

Ik weet niet of er iets in de lucht hangt (behalve haartjes van de eikenprocessierups), maar ik belandde de afgelopen dagen opvallend vaak in gesprekken over dode huisdieren.

Konijnen met kanker.
Honden met blaasontsteking.
Parkieten met depressies.

Het zijn net mensen.

Ineens ben ik terug in de keuken van ons oude huis.
Waar de man een dood huisdier in zijn hand hield.
Een cavia. Doodsoorzaak onbekend.
De dierenarts had hem na het inslapen nog even ter autopsie op het lab gehouden. Toen ik hem ’s middags op mocht komen halen kreeg ik hem in een klein doosje mee.
Iets te klein.

Plat op zijn zijkant was hij erin geduwd. Het kopje wat naar beneden zodat het precies zou passen. Als een brievenbuspakketje, waarvoor je achteraf gezien misschien tóch beter dat pakkettarief had kunnen betalen.

Ik houd niet van het gevoel van dode huisdieren.
De man wist nog niet of hij er van hield.
Dit was zijn eerste huisdier. Dus ook zijn eerste dode.

Het bleek het grappigste moment uit zijn leven.
Stijf geworden in het te kleine doosje, was de cavia op zijn linkerzij zo plat als een dubbeltje geworden.
Triomfantelijk hield hij hem hoog in de lucht.
Tranen rolden over zijn wangen.
Van het lachen.

Ik denk dat hij betere herinneringen heeft aan de dode cavia dan aan de levende.

Ik weet in ieder geval één ding zeker:
Mocht onze kat in de toekomst overlijden. Dan zorg ik zélf voor een grote ruime doos.

Advertenties

Gelukschaamte

Er zijn momenten dat de angst me ineens om het hart slaat.
Dat ik denk: hoeveel hoger kan het nog?
Dat ik bang ben: hoe hoger je komt, des te harder de val.

Ze zeggen dat geluk bestaat uit momentopnames. Uit kleine sprongetjes in de lucht met héél even die kriebel in je buik.
Maar wat als het al een hele tijd kriebelt? Als het niet voelt alsof je springt maar alsof je in een oneindige achtbaan omhoog wordt getakeld?

Ik voel me soms haast bezwaard.

Kamp met gelukschaamte.

Als die vriendin die haar moeder verloor mij vraagt hoe het met mijn ouders gaat.
Als die gescheiden collega na veel ellende blijft benadrukken hoe fantastisch mijn man is.
Als die vriend met die rotbaan aan mij vraagt hoe ik dat toch allemaal doe.

Kun je kiezen voor geluk?
Is het een kwestie van hoger leren springen? Of beter leren vallen?
Waait het aan of waait het voorbij?
Kan ik het delen?
Vermenigvuldigen?
Is het leven ooit echt eerlijk?

Ik vraag me af.
En neem niets voor lief.

Al takelend omhoog voel ik de wind in mijn gezicht.
Hoger en hoger en hoger.
Ik sluit mijn ogen en geniet.
Ik voel de kriebel en de spanning. De angst die achter het topje loert.
Ik weet dat het er is.
Dat deze rit niet oneindig duurt.
Dat het eindigt. Ergens.

Maar juist daarom.
Juist omdat die angst.

Sluit ik mijn ogen en geniet.

Van het moment.
Van het hier. Het nu.
Hoe kort of lang het ook mag duren.

Want hoe groot je geluk ook is.
Pas als de schaamte het wint van je angst, heb je qua geluk pas echt verloren.

Stilte

‘En misschien willen jullie ook nog wel kinderen.’
‘Nee, eigenlijk niet.’

Stilte.

Correctie.
Ongemakkelijke stilte.

Stilte die na een paar seconden wordt opgevuld met een misschien nog wel ongemakkelijkere ‘oh’.

‘Oh’, ze willen niet.
Het is een bijna nog verontrustendere versie dan ‘oh’, ze kunnen niet.

Wat overigens ook zomaar had gekund.
Dat de stilte niet aan haar maar aan mijn kant was geweest.
Want wat als iemand wel wil maar niet kan? Wat als het niet lukt?

Maar de stilte volgde niet op de vraag, maar op het antwoord.
En het ongemak kwam voort op het zojuist aan het wankelen gebrachte wereldbeeld.
Het beeld waarin voortplanten de norm is. Waar wel ruimte is voor ‘niet kunnen’, maar nog weinig gevoel voor ‘niet willen’.

Het is alsof iemand je het lekkerste taartje ter wereld aanbiedt en jij het vriendelijk doch vastberaden afslaat. Niet omdat je het niet lust, maar omdat je er geen behoefte aan hebt.
Nee, dank je. Mijn koelkast is vol genoeg. Ik kom niks tekort.

‘Mooi weer vandaag hè?’
Ik knik.

De stilte is doorbroken.
Het wereldbeeld vervlogen.