Schaamte

Ik ga op vakantie en neem mee:

Mijn schaamte.

Al dagen kijk ik met de buikpijn de berichten. Het filmpje met de van de pijn uitschreeuwende koala doet me de das om. Net als naast me wordt gezegd dat ik misschien moet stoppen met kijken, biggelen de tranen over mijn wangen.

In het toilet op het vliegveld fatsoeneer ik mijn mascara. Aan de andere kant van de spiegel kijken schuldbewuste ogen mij aan.

De wereld staat in brand en ik schaam me.

Genoeg om extra te betalen voor de gemaakte co2 uitstoot.
Genoeg om een gulle bijdrage te storten aan het land waar ik ooit zelf een jaar lang vertoefde.
Genoeg om al tijden geen dieren te eten, afval te scheiden, klein(er) te wonen, bewust(er) te leven…

En tóch die vakantie te boeken.

Gelaten loopt ik het toilet uit.
‘Velen doen het slechter dan jij. Je hebt gedaan wat je kon.’

Maar is dat zo?

Stil koester ik de gedachte dat schaamte de eerste stap is naar bewustwording. De eerste stap naar actie. Naar verandering. Voor de toekomst.

Ik ga op vakantie en ik neem mee:

Mijn schaamte. Bewust ingepakt.

De kerstboom is voor Jezus

Vroeger vertelde mijn moeder mij altijd dat iedereen een mooi versierde boom in de woonkamer neerzette omdat het mijn verjaardag was.

Aangezien ik een nogal goed gelovig kind was en óók geloofde dat in iedere kerk een koning woonde, slikte ik deze leugen als zoete kerstkrans. Al was het alleen maar omdat dit mij de legitimiteit én het alleenrecht verschafte om als enige het kinneke Jezus in de kerststal neer te mogen zetten.

Totdat ik er dus achter kwam dat het dus niet vanwege míj, maar uitgerekend door dat kinneke Jezus kwam dat iedereen die mooi versierde kerstboom in de woonkamer had staan.

De kerstboom is voor Jezus.
In kerken wonen geen koningen.

Overmorgen word ik vijfendertig.

En ik heb nog nooit zo hard in sprookjes willen geloven.

Sinterklaascadeau

Huisdieren geef je niet cadeau.
Sinterklaas had hier echter lak aan toen ik op zevenjarige leeftijd twee cavia’s in een kooi vond tijdens pakjesavond. Eentje voor mij, eentje voor mijn zusje. Het stond dan ook duidelijk op ons verlanglijstje geschreven: ‘Graag een caaviaa alstuublieft.’ Tegen zoveel beleefdheid was de Sint niet opgewassen.

Mijn zusje noemde die van haar Belle, maar aangezien ik weigerde die van mij Beest te noemen, werd het Platvoetje, naar de gelijknamige dinosaurus in de tekenfilm waar ik zo hard om moest janken.
Ja, ik was een gevoelig kind. En toen mijn zusje haar huisdiercadeau inderdaad binnen afzienbare tijd zat was en verruilde voor een pop die zelf kon poepen en plassen, stortte ik me als een toegewijde Foster Parent op beide cavia’s.

Groot was dan ook het verdriet toen bleek dat levende dieren vaak minder lang meegaan dan dieren van stof. En daar waar je aan een pluchen konijn nog wel een nieuw oor kan naaien, kon de dierenarts nu toch echt niets meer betekenen.

Nooit eerder had ik tranen met tuiten gehuild om een Sinterklaascadeau. En ik besloot, met het snot nog aan mijn mouwen, dat dit ook niet meer zou gebeuren.

Het jaar erop kreeg ik een Barbie.

Ik ben er nooit echt van gaan houden.
Maar ik heb er in ieder geval nooit om hoeven huilen.