Maarten

Toen ik vanochtend wakker werd, dacht ik als eerste: Zou hij nog..?

Ja. Hij zou nog.
Hij zwom. Nog steeds.
Langzamer. Vermoeider. Maar hij zwom.

Hij zwemt.

Een journalist vraagt hoe het met hem gaat.
Zijn stem is traag en hees. Uren in het water en zo goed als geen slaap beginnen hun tol te eisen. Maar toch, door die oververmoeidheid en pijn heen, schijnt vastberadenheid. Geen twijfel. Maar ook zeker geen hoogmoed.
Want hij weet niet of hij het gaat halen, maar twijfelt er niet over dat hij vastberaden is zo ver mogelijk te komen. De grens nóg verder te verleggen dan hij de afgelopen 2 dagen al heeft gedaan. Want hoe ver kun je pijn overwinnen? Hoe ver kun je gaan?

Maarten laat zien dat een mens meer kan dan hij denkt. Als je maar wil.
Hoe cru is het tegelijkertijd dat hij dit laat zien met als doel geld in te zamelen voor datgene waar je eigenlijk maar bar weinig (lees: niks) over te zeggen hebt: leven of dood na kanker. Maarten kon het in de interviews voorafgaand aan zijn monstertocht niet genoeg benadrukken. Kanker is geen strijd. Kanker is geen keuze tussen opgeven of doorgaan. Het is pech hebben als je het krijgt en geluk als je het mag overleven.

Maarten overleefde. Maarten had geluk.
En met het geluk dat hij heeft gekregen, kiest hij er nu zelf voor te proberen iets onmenselijks mogelijk te maken. En het mooie is: stoppen ís een optie. Hij heeft de keuze. In tegenstelling tot vele kankerpatiënten. Hij leeft. Hij kan kiezen. En dat weet hij. Dat weet hij maar donders goed.

Dus kiest hij.

Hij zwemt.

Langzaam.
Moe.
Maar vastberaden.

Advertenties

HEMA onderbroek

Ineens ligt het boek op mijn bureau.
Het Grote Sjoerd & Sanne Leuke Dingen Doe Boek.
Het klinkt als een slechte parodie op Suske & Wiske of als een vakantie-doe-boek zoals je vroeger meenam op zomervakanties waar geen einden aan leken te komen.

Ik blader erdoor heen.
Foto’s, krantenknipsels, filmkaartjes, bonnetjes van de eerste koopzondag in Veenendaal (‘Weet je nog? Toen kocht jij HEMA onderbroeken!’ – een historisch moment in ondergoed vereeuwigd). Ingeplakte herinneringen met hier en daar een geschreven voetnoot of datum. Instagram en Pinterest avant la lettre.

En liefde avant la houden van.

Want zo is deze boekenreeks gestart. Als bouquet roman uit de tijd dat we nog pas verliefd waren en niet samen woonden. Het schrift was niet alleen een dagboek van de leuke dingen die we samen deden, maar ook een gebundelde briefwisseling met de dingen die we meemaakten als we niet samen waren. En hoe erg we elkaar dan misten. Uiteraard.

Inmiddels zijn we 10 jaar later en hebben we geen schrift meer nodig om elkaar op de hoogte te houden van de dingen die we doen. Ook worden er geen brieven meer geschreven met hartjes en zijn onze romantische uitjes gedegradeerd tot de 2 + 1 gratis boxershorts op de eerste koopzondag van Veenendaal.

Totdat ik me bedenk dat die eerste koopzondag vorig jaar was.
En dat er nog meer recente knipsels in dat laatste deel zitten waarvan ik het bestaan niet wist. Wist ik überhaupt eigenlijk wel dat er een derde deel was? En hoe komt het hier ineens op mijn bureau?

Als ik uit het raam naar beneden kijk, poetst de man zijn fiets alsof er niks aan de hand is. Boven zijn fietsbroek piept de rand van een HEMA onderbroek.

Ineens krijg ik zin om een liefdesbrief te schrijven.
Op papier. Met hartjes.

De trap

“Je kan de flyers anders ook bij mij thuis afleveren hoor! Ik woon toch in het centrum.”

Als ik mijn adres doorgeef, blijft het angstvallig stil aan de andere kant van de lijn.

“Je bedoelt echt dat je daar woont?”
“Ehm, ja. Hoezo?”
“Maar daar ben ik geboren!”

Nog geen half uur later staat hij met een tas vol flyers bij mijn aan de deur. Ik schat dat hij ongeveer net zo oud is als ik en dat het dus ruim 30 jaar geleden moet zijn dat hij hier in ons huis het levenslicht zag. Ons huis, dat ooit zijn huis was en waar hij nu met pretlichtjes in zijn ogen ineens binnen staat.

Hij zegt dat hij de trap herkent. De foto’s die zijn vader daar van zijn moeder maakte, poserend met een sigaret in haar hand.
De woonkamer lijkt kleiner dan in zijn herinneringen. Als kind van 6 moet dit huis op zijn minst twee keer zo groot hebben geleken. Behalve de achtertuin dan.

“Wist je dat dit huis in eerste instantie geen tuin had?”
Ik schud mijn hoofd.
“Mijn vader heeft bedongen dat we een stuk grond achter ons huis kregen. Daarna heeft hij samen met mijn opa de schutting en de grote schuifpoort neergezet.”

De grote schuifpoort.
Het ding dat ik regelmatig vervloek omdat hij krom trekt en inmiddels meer weg heeft van sleuren dan van schuiven.
Maar nu ik die poort nog eens bekijk. Met het beeld van 2 zwoegende mannen erbij. En het verhaal met de pretlichtjes in de ogen.

Ik zeg hem dat hij wel boven mag kijken.
Hij zegt dat wij het mooi hebben opgeknapt.
Het is anders. Van nieuwe mensen. Na de vorige. En die daarvoor.
Hij heeft er zelf maar 6 jaar gewoond. Vage herinneringen van zijn kinderkamer doemen op. De honden die beneden in de hal lagen. En weer zijn moeder op die trap met de sigaret.

“Ze hield van poseren met verschillende outfits.”
Ik knik. Het is een goede poseer-trap. Dat ik dat niet eerder heb gezien.

Hij belooft foto’s te vragen. Van dat huis dat zijn ouders ooit voor 80.000 gulden kochten.
Het huis van 100 jaar oud, waar voor minstens zoveel jaar verhalen verscholen liggen. En waar ons hoofdstuk pas net is begonnen.

De deur valt achter hem dicht. Ik blijf achter in de hal met een tas vol flyers.
Even kijk ik naar de trap en naar mijn outfit. Het is bijna jammer dat ik niet rook. Dat had vast een mooie foto opgeleverd.