Werk

Ik vraag me wel eens af wat we allemaal op werk doen als anderen er niet bij zijn. Maar eigenlijk vooral wat ánderen op hun werk doen als ik er niet bij ben. Of, nog specifieker gezegd, wat mensen die ik ken op hun werk doen als ik er niet bij ben.

Werken doen we allemaal. Of wellicht niet allemaal, maar ik denk dat ik wel kan stellen dat het gros van ons toch minstens een x-aantal uren doorbrengt in een afgesloten ruimte die we al dan niet kantoor of werkplek noemen.

Zo werkt die lange van mij op de universiteit. ‘Projectmedewerker huisvesting’ heet hij daar. Wat dit precies betekent zou ik niet met zekerheid durven zeggen, maar als mensen het me toch vragen tijdens een verjaardag tussen taart en borrelnoten door, dan zeg ik dat hij verhuizingen coördineert. Of hij zich hier ook letterlijk 32 uur per week mee bezighoudt weet ik niet (hoeveel kan er op zo’n universiteit nou verhuisd worden?). Wel weet ik dat hij vier dagen per week van dinsdag tot en met vrijdag om 07:15 richting de trein vertrekt om meestal rond 17:45 weer thuis te komen. Wat hij in de tussentijd uitspookt? Géén idee. Niet dat ik niet zo sociaal ben om na iedere werkdag de standaardvraag te stellen: ‘En, hoe was het op je werk?’ Maar de antwoorden die je daarop krijgt luiden vaak niet veel meer dan de korte eenlettergrepige keelklanken als ‘leuk’, ‘druk’, ‘goed’, ‘watetenwevanavond’.

En dat houdt me bezig. Niet zo constant als waarom cavia’s zo obees kunnen raken van slechts groenvoer, maar toch, het laat me niet los. Want hoe brengt hij zijn dag eigenlijk door? En met wie? Natuurlijk ken ik wel namen van collega’s en heb ik met enkelen zelfs wel eens een hand of een woord uitgewisseld. Maar wie ze verder zijn en hoe ze zich naast collega zijnde verder verhouden tot hem, daar heb ik geen weet van. Halen ze koffie voor elkaar of ieder voor zich? Wordt er uitgebreid bijgekletst over het weekend? Gelachen om grapjes van hem? Of is hij juist niet de kantoor lolbroek en lacht hij om grapjes van anderen? Wordt er wel gelachen? Of alleen hard gewerkt? En wat voor werk dan precies? Heeft hij vaste mailcontacten die hij wekelijks digitaal spreekt? En hoe ziet zijn bureau er eigenlijk uit?

Allemaal vragen waar ik geen antwoord op heb. Best vreemd als je samenwoont met iemand die je denkt helemaal, of in ieder geval voor een groot deel, te kennen. Want hoe goed ken je iemand als diegene zo’n 20 procent van zijn wekelijkse tijd in een vacuüm van het grootse mysterie doorbrengt?

Het zou zelfs zomaar kunnen dat hij om 07:15 helemaal niet naar zijn werk vertrekt, maar misschien wel iets heel anders gaat doen. Dat hoor je toch wel eens, van die verhalen van mensen die ontslagen zijn, maar nog jarenlang de schijn ophouden? Of misschien is hij wel helemaal geen projectmedewerker huisvesting, maar slijt hij zijn dagen als schipper op een veerpont. Of is hij mysterieshopper en moet hij in alle supermarkten de bloemkolen testen. Het zou zomaar kunnen.

In wezen zouden we allemaal een geheime droombaan kunnen hebben. Of een geheime minnares. Want wie weet wie er achter al die mailtjes over verhuisdozen verscholen zit. Of wie er ín die verhuisdoos zit.

Misschien is het maar goed dat we niet alles van elkaar weten. En dat werk uiteindelijk ‘gewoon maar werk’ blijkt te zijn. Een activiteit die leuk, druk of goed is en waarna je met een korte keelklank kan aanschuiven aan de gestoomde bloemkool in kerriesaus.

Goed druk

“Hé, hoi! Hoe gaat het?”
“Ja, goed! Druk. Je weet wel.”

Goed en druk.
Wanneer het precies ontstaan is weet ik niet, maar als je de meeste openingsgesprekken tegenwoordig moet geloven, dan  zijn de woorden ‘goed’ en druk’ er twee die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.

Met wie het druk heeft gaat het goed. En vice versa. Druk zijn staat immers synoniem voor een succesvol bestaan. Voor een goede baan en dito sociaal leven. Voor feestjes hier en vergaderingen daar. Voor sportclubjes, vrijwilligerswerk, nieuwe recepten proberen, social media bijhouden, dat ene boek nog lezen, het nieuws bijhouden, je kinderen opvoeden…

Druk is hoe het leven hoort te zijn.
Maar is dat eigenlijk wel zo?

Vrijwel nooit hoor je een gesprek waarbij de ‘hoe gaat het’-vraag wordt beantwoord met “Ja, goed! Lekker rustig”.
‘Lekker rustig’ staat namelijk helemaal niet gelijk aan goed. Wie rustig is, daar moet wel iets mee zijn. Werkloos, ziek, of  – oh, de horror! – misschien wel gewoon lui. En lui, dat is wel het laatste waar we geassocieerd mee willen worden. Dus plannen we onze dagen vol. Zo vol dat er geen luie momenten meer over zijn. En zijn die er onverwachts toch, dan verzinnen we wel wat anders om ‘druk’ mee te zijn. Want druk zijn is goed en wie bezig is telt mee.

Maar wat als ‘altijd druk’ helemaal niet zo goed voor je is? En wat als blijkt dat het helemaal geen schande is om soms ongegeneerd even helemaal niks te doen? Gewoon, omdat ons systeem nou eenmaal niet is ingesteld om constant maar bezig te zijn.

Vergelijk het met een computer die altijd stand-by staat. Ook daarvan weet je, die moet een keer uit. Of op zijn minst een keer gereset. Anders beland je huilend in de tuin naast een racefiets met lege banden, omdat je nergens de fietspomp kunt vinden (geloof me, ik kan het weten). En isn’t it ironic dat die jankpartij dan niet gaat om die lege fietsbanden, maar het feit dat je zelf helemaal bent leeggelopen. Dat is immers wat je krijgt als de druk er constant opstaat. Dan kun je wachten tot de band klapt.

Hoe hoger de druk, hoe harder de klap. Vaak komen we daar echter pas achter als de rek er echt helemaal uit is. Een klein gaatje kun je nog wel plakken. Een klapband daarentegen…

Dus laten we het eens proberen. Laten we proberen elkaar niet constant voor de gek te houden. Laten we proberen de fabel te doorbreken dat druk en goed niet zonder elkaar kunnen. Laten we proberen eens ongegeneerd een off-day te hebben. Laten we proberen niet altijd te willen presteren. Laten we proberen het OK te vinden om een hele avond met een simpel tijdschrift op te bank te zitten. En dat ook gewoon aan anderen toe te geven. Laten we proberen ons dit niet alleen maar voor te nemen, maar het ook gewoon te doen. Gewoon af en toe eens lui zijn. Zonder dat we ons daar druk over maken.

Hard werken

“Maar, werk je dan ook echt hard of ben je vooral bezig met socializen, netwerken en Facebooken?”

Ik doe net alsof ik me niet verslik in mijn glas wijn, maar kan een klein proestgeluid niet onderdrukken. Het is alweer even geleden dat we elkaar hebben gezien. Laat staan dat we elkaar fatsoenlijk hebben gesproken. En ja, ik weet dat onze levens nogal van elkaar verschillen, maar soms lijken Mars en Venus niet verder van elkaar af te kunnen staan. En dan heb ik het in dit geval zelfs over twee vrouwen.

“Nou, ehh…natuurlijk is social media een groot deel van mijn werk, maar ik ben ook echt wel bezig met het organiseren van veel projecten hoor!”

Terwijl de woorden na het verslik-incident aarzelend uit mijn mond komen, hoor ik hoe ik mezelf aan het verdedigen ben. Ben ik verbaasd, verbouwereerd of denk ik stiekem dat er een kern van waarheid zit in haar uitspraak?

“Wat een onzin!”, roept een vriendin aan wie ik het incident voorleg. “Wat doet zij zelf eigenlijk? Huismoeder? Ah kijk, daar heb je het al. Die doen toch ook niets anders dan de hele dag thee drinken, koekjes bakken en tekenfilms kijken? En dan nog. Al werkte ze zich uit de naad met die billenpoetsdoekjes van d’r. Dat geeft haar nog geen recht om te zeggen dat jij niet hard werkt.”

Tja, wat is ‘hard’ werken eigenlijk? Is dat iedere dag van negen tot vijf op kantoor zitten? Is dat nachtdiensten draaien? Is dat met zware pallets slepen? Is dat op de Intensive Care werken? Is dat vlees verwerken? Is dat je gezin draaiende houden? Of tien Facebookpagina’s beheren? Ik weet het niet. Dat wat de één ervaart als hard werken, zal de ander helemaal niet als zwaar ervaren. Wat fysiek zwaar is kan mentaal een eitje zijn en andersom. Misschien moeten we de waarde van ons werk dan ook niet uitdrukken in de zwaarte ervan. Maar het plezier dat het ons oplevert. En de voldoening die het ons geeft.

Met het glas wijn nog steeds in mijn hand slik ik de rest van mijn verdedigingsspeech in. Ik hoef me niet te verdedigen. Misschien werk ik volgens mijn vriendin dan wel niet hard.”Ik ben gelukkig wel heel erg blij met mijn werk.”