Writer’s block

“Fuck fuck fuck fuck fuck!”
“?”
“Ik heb nog steeds geen idee voor een nieuw blog.”
“En dat is erg want..?”
“Want, want?! Omdat mijn laatste blog alweer meer dan een wéék geleden is en dit dus misschien wel betekent dat het gedaan is met mij. Weg ideeën, hallo writer’s block!”
“Nou, nou, nou, dat zal allemaal wel meevallen Miss Dramatiek. Met één week geen blog heb je echt niet meteen een writer’s block.”
“Het is ook gewoon allemaal de schuld van die sinaasappels!”
“Sinaasappels?”
“Ja! Dat blog. Over die gevaarlijke sinaasappels. Dat we niks meer kunnen eten enzo. Nou, door die stomme sinaasappels kan ík nu niet meer schrijven!”
“Och, mevrouwtje heeft last van faalangst?”
“Nee! Ja. Nee! Nou ja, een beetje. Maar wat wil je? Als je ineens door meer dan honderdduizend mensen gelezen wordt. Over sináásappels notabene! Dan wil je dat vasthouden. Laten zien we je bent. Wat je kan. Man, ik had een doorbraak kunnen hebben. Roem, erkenning, de nieuwe Sylvia Witteman!”
“Je overdrijft.”
“Ok, ik overdrijf. Maar dan nog. Ik snap het niet. Ik heb echt betere blogs geschreven, heus. Maar waarom wat uitgerekend dát blog, geschreven met 2 vingers in de neus tussen een cappuccino en een stukje appeltaart in een koffietentje, ik herhaal: uitgerekend dát blog zo goed gelezen?”
“Omdat het blijkbaar speelt.”
“Omdat het blijkbaar speelt. Omdat het blijkbaar speelt. Ja, dat begrijp ik ook wel. Daarom heb ik erover geschreven!”
“En wat is nu precies je probleem? Het is toch leuk dat een blog van jou zo goed gelezen is?”
“Ja, dat weet ik ook wel. En dat is het ook. Het slaat ook nergens op natuurlijk. Alsof de lezers van dat ene blog überhaupt terug komen om mijn andere stukjes te lezen.”
“Nou, dat weet je niet.”
“Nou, dat weet ik wel. Want als ik niks meer weet om over te schrijven dan houdt het natuurlijk meteen op.”
“Je kan in ieder geval altijd nog een stukje schrijven over je gevoel voor dramatiek.”
“Nee, daar zitten mensen op te wachten.”
“Nou, wie weet. Je bent op dit moment in ieder geval net zo zuur als een sinaasappel.”
“Sinaasappels zijn niet zuur, citroenen zijn zuur.Sinaasappels zijn…”
“Sinaasappels, mandarijnen, citroenen, kan mij het schelen. Al schrijf je een epistel over de exotische cactusvijg.”
“Ik wil niet schrijven over de exotische cactusvijg. Ik wil schrijven over…over iets! Maar ik kan dus niks verzinnen.”
“Dan schrijf je toch lekker een weekje niet?”
“Een weekje niet?!”
“Ja. Waarom zou je iedere week wat moeten schrijven? Ik bedoel, als je toch niets te melden hebt, dan kun je maar beter even niks zeggen, toch? Niks erger dan bloggers of columnisten waarbij je in de eerste regel al de frustratie kan lezen en weet ‘dit gaat ‘em niet worden vandaag’.”
“Dat is waar. Zo erg als mensen een stukje schrijven ‘omdat het moet’. Dat ze lukraak een onderwerp hebben gekozen om die pagina maar vol te krijgen.”
“Precies.”
“En aangezien ik toch geen Sylvia Witteman ben….”
“Juist.”
“Fuck it! Ik schrijf deze week gewoon lekker niet!”

 

Schuldgevoel van liefde

Vrijdag de dertiende. Parijs bloedt. De wereld huilt. En ik? Ik voel me schuldig.

De beelden flitsen aan mijn ogen voorbij. Ik lees de berichten, updates, reacties. Vol van verdriet, boosheid en angst. Ik begrijp het, ik voel het, maar het schuldgevoel knaagt. Ben ik te nuchter? Raakt het me niet? Natuurlijk raakt het me wel. Waarom voelt het dan vreemd, dat ik niet lijk te voelen, wat anderen voelen? Dat geen buikpijn van woede of slapeloosheid van angst zich van mij meester maakt?

Ondertussen laaien online de discussiepunten op. Wie wil in deze wereld nog zijn kinderen grootbrengen? Wie wil in deze wereld überhaupt nog kinderen voortbrengen? Ik lees het, ik snap het, maar het schuldgevoel knaagt. Want hoe dichtbij het nu ook moge zijn, de wreedheid van onze wereld bestaat al langer dan vandaag. Denk aan Cambodja, denk aan Rwanda. Denk aan de honderden, duizenden, miljoenen. Niets wat ooit de mensheid ervan heeft weerhouden nieuw leven te stichten. En dat is niet erg. Want waarom zou je? Waarom zou je, op grond van haat, niet je eigen liefde willen doorgeven? Juist op de momenten dat die liefde zo hard nodig is?

De wereld staat stil en ik voel me schuldig. Schuldig omdat in al die stilte míjn leven gewoon doorgaat. En omdat ik ook wíl dat het doorgaat. Hoe wrang en crux dat misschien nu wel klinkt.

De wereld staat stil, maar het leven gaat door. En misschien is dat juist wat de aarde doet draaien. Wat ons de kracht geeft onze hoop te blijven volgen.
Want ik wil me niet schuldig voelen dat ik niet 24 uur aan de buis gekluisterd zit. Ik wil mezelf niet verwijten dat mijn mijn verdriet niet intens genoeg is. Ik wil me niet hoeven schamen dat ik er vandaag ook even níet aan dacht. Dat ik lachte om een grap. Dat ik plannen maakte voor morgen. En genoot van zoiets basaals als een ontbijt met z’n twee.

Ik wil stil staan. Maar niet stil blíjven staan. Juist niet nu. Juist niet vandaag. Want is dat niet precies wat ze uiteindelijk willen? Dat de angst ons verlamd om het leven te leven?
Ik wil niet verlamd zijn. Ik wil vrij kunnen lopen. Ik wil kunnen genieten. Ik wil liefhebben, lachen, het leven omarmen. Zing, vecht, huil, bid… Hoe tegenstrijdig het ook klinkt.

En strijden doe ik. Ik strijd alleen niet tegen, ik strijd vooral met. Met degenen die ik liefheb, met degenen die ik koester. Wij zijn namelijk de mensen die het verschil kunnen maken. Door te laten zien dat ondanks verlies van geloof zeker nog hoop en liefde is. Door de oorlog te verdrijven met onze vorm van vrede. Zoals iets betekenen voor een ander, het geven van een compliment, een onverwachts moment van geluk, een lach, een kus, een nieuwe dag.

Het zijn de kleine dingen die het in dit leven doen. Juist nu. Juist vandaag. Juist in deze grote boze wereld. Voel je niet schuldig. Laat het niet knagen. Sta op. Heb lief. En vier het leven.

Argentinië is geen Oostenrijk

“Dag lieverds, hier weer even een berichtje van ons. We zijn net aangekomen na een busreis van 20 uur en zijn net op de bonnefooi een hostel ingestapt. Ja, jullie lezen het goed! Ok, wel op een tweepersoonskamer (dat had wat ons betreft niet gehoeven hoor. Hartstikke gezellig met die jongelui op een kamer!), maar heerlijk hier. Het stadje ziet er wel wat anders uit dan we ons hadden voorgesteld. Maar goed, Argentinië is dan ook geen Oostenrijk.”

Ouders. Er komt een moment dat je ze los moet laten. Dat je inziet dat ze meer zijn de mensen die jou hebben verwekt (al dan niet per ongeluk). Dat het mensen zijn die op eigen benen kunnen staan. Dromen hebben. En die ook uitvoeren. Of je nu wil of niet.

En dus zijn mijn ouders vorige week vertrokken naar Zuid-Amerika. Niet voor een vakantie van twee weken. Nee, ze wilden op reis. Écht op reis. Twee maanden. Met een rugzak. Rondtrekken. Backpacken.

Je zou het een midlife-crisis kunnen noemen. Een bevlieging. Maar aangezien ze dat stadium als zestig-plussers toch inmiddels al wel achter zich zullen hebben gelaten, had ik al zo’n voorgevoel dat dit wel eens menens zou kunnen zijn. Ik grapte nog even met geraniumangst en pensioenschrik, maar toen nog geen week later de Lonely Planet in huis werd gehaald wist ik: ‘this is serious business’.

En serious business it was. Dat ondervond ook mijn vader toen mijn moeder heel stellig riep: “Maar dan wil ik ook wel écht als een backpacker op reis. Zonder plan. Op de bonnefooi.”
Langzaam zie ik mijn vader wit wegtrekken. Als oud-marinier mag hij dan doorwinterd en bereisd lijken, zodra bij hem de woorden ‘zonder plan’ en ‘bonnefooi’ doordringen, springen acuut al zijn angstzweetkanalen open. Orde en regelmaat. Dat is wat hij is gewend. Geen plan A zonder plan B. En liefst nog een plan C voor ‘je weet maar nooit’. Een ware structuurfetishist. ‘Plezier in plannen’, zoals hij het zelf noemt. Maar dit keer dus niet. Moeders wil is wet. Geen standaard abc’tje. Ze gaan op reis. Écht op reis.

En dus zwaaiden we ze vorig week uit. Met hun backpacks, bergschoenen en afritsbroek (‘Die zijn zo praktisch! En je hebt twee broeken voor de ruimte van één!’) Klaar voor het grote avontuur.

Het avontuur dat al meteen begon toen bleek dat ze met hun telefoons geen gebruik konden maken van het netwerk in Zuid Amerika (‘Terwijl je vader dit nog zó goed had uitgezocht!”) Gelukkig blijk je per whats-app ook prima te kunnen bellen en is er nog altijd e-mail om steeds van iedere locatie de contactgegevens door te geven (“Je weet immers maar nooit!”).

Ondertussen zijn de eerste foto’s van kort afgeritste broeken al verschenen en lijkt zelfs mijn vader zich zo aan zijn nieuwe omgeving aan te passen dat hij al een heuse hipsterbaard heeft laten staan (wat volgens mijn moeder niet meer dan een goedkope tactiek is om korting bij hostels te krijgen). Dat ze veruit de oudsten zijn in de hostels waarin ze verblijven lijkt ze niets te deren. Met een kekke kleurige indianentas om je schouder voel je meteen dat reizen verbroedert.

En het angstzweet van mijn vader? Dat lijkt te zijn opgedroogd en plaats te hebben gemaakt voor druppeltjes van geluk. Want als structuurfetishist op de bonnefooi op pad gaan? Dat betekent gewoon dat je iedere dag weer mag plannen wat je morgen gaat doen! Als dat geen feest is weet ik het ook niet meer! Zelfs als Argentinië toch niet helemaal op Oostenrijk blijkt te lijken.