Poezensnuitjes

“Ahw…kijk nou! Het gaat echt alweer een suk beter met Meneer Muis! Alleen Footloose heeft heel veel pijn. Zielig hè? Ze gaan waarschijnlijk toch zijn pootje maar amputeren. Maar Boopey mag wel eindelijk naar haar gouden mandje! Net zoals Ferrari en Sjors.”

Het is zondagmiddag en ik zit aan mijn dagelijkse portie Poezensnuitjes. Deze Facebookpagina heb ik onlangs ontdekt en staat sindsdien garant voor de nodige dosis schattigheid en verwonderende verbazing.

Poezensnuitjes is namelijk niet zomaar een Facebookpagina van een stichting die zwerfkatten en kittens opvangt in nood. Het is een huiskameropvang waar iedere poes of kat die binnenkomt een eigen naam krijgt en daarmee een eigen podium. En zo worden ook de Facebookberichten geschreven: vanuit het oogpunt van de poezensnuitjes. En dat levert de meest aandoenlijke en hilarische berichten op.

Neem Chip en Dale (ja u leest het goed!), de twee ‘heertjes’ die na verblijf op straat en in een druk huishouden nogal wat onderhoud nodig hadden. Gelukkig kon de dierendokter ze aardig oplappen en kregen ze bij hun pleegvrouwtje de nodige aandacht die ze al die tijd gemist hadden. Kijk ons nou helemaal in ons goeie vel zitten. Zien we er dankzij de hulp van al die lieve mensensnuitjes nu niet prachtig uit? We houden wel van een beetje ondeugend zijn, maar dat vind ons pleegvrouwtje niet zo erg. Ze zegt dat we zo mooi opgeknapt zijn, dat we binnenkort misschien wel naar een echt gouden mandje mogen verhuizen! Nou, daar likken wij onze pootjes graag bij af!

En dat doen niet alleen de katten. Maar ook een groot deel van de bijna 5500 (overwegend vrouwelijke) volgers. Terwijl ik vooral de de toewijding (onder de zoetsappige laag schuilt wel degelijk goed werk) en de hilarische creativiteit (Een poes en een kat die graag sardientjes eten? Nou, dan noemen we die toch Sar en Dino!) van de stichting waardeer, verkneukel ik me ondertussen aan  de groep vaste volgers, die volledige meegaan in het poezensnuitconcept en de harige snoetjes aanspreken alsof die het zelf zouden kunnen lezen.

Zo werd onlangs Meneer Muis binnen gebracht. Een kat die al 2 jaar op straat zwierf en er met een compleet kapot gezicht op zijn zachtst gezegd niet zo heel erg florissant uitzag. Gelukkig waren daar de poezenvrouwtjes om Meneer Muis wat moed in te spreken.

“Och menneke, wat heb je allemaal meegemaakt? Arme Meneer Muis, kon je nog het nog maar vertellen. Het is best ingewikkeld om mensen te vertrouwen, maar geloof me, je pleegvrouwtje heeft het beste met je voor. Laat je dus maar lekker verwennen. Hier is het warm en fijn. Zet hem op mannetje. Met de liefde en het geduld die je nu krijgt komt het vast allemaal goed!”

Of de poezenvrouwen naast het spreken van kattentaal ook in het bezit zijn van een glazen bol weet ik niet, maar met Meneer Muis gaat het inmiddels inderdaad al een stuk beter. Net zoals met de vele andere katten die hier soms bijna dagelijks worden binnengebracht. En waarvan de stichting uiteindelijk hoop dat ze allemaal een ‘gouden mandje’ zullen vinden bij een nieuw vrouwtje die permanent voor ze zal blijven zorgen.

Ondertussen wacht ik met spanning de laatste updates af van Footloose (de kat met 3 poten). En hoop ik dat de inmiddels geadopteerde Chip en Dale nog eens gezellig komen vertellen over al het kattenkwaad dat ze uithalen op hun nieuwe stekkie met hun nieuwe baasje, vrouwtje en mini-vrouwtje.

Miauw!

 

 

 

Kraamvisite

Vandaag moet ik op kraamvisite.
Laat ik maar beginnen dat ik niet zo’n kraamvisite-tiepje ben. Als iemand me nou eens zou uitnodigen voor peutervisite! Peuters, daar weet ik wel raad mee. Peuters zijn leuk. In andermans huis dan. Waar je gewoon een marathon gekke bekken trekken kan houden en al het speelgoed uit de kast kan trekken. Om vervolgens thuis onder het genot van een kopje thee bij te komen op de bank in een schone kamer, terwijl moeders een huilend kind probeert te kalmeren in een ontploft speelparadijs. Tja, sommige mensen verkiezen nou eenmaal de lusten. Andere mensen…

Maar goed, kraamvisite dus. Het hele punt is dat dit onderonsje altijd met baby’s is. En baby’s. Daar kan ik niet zoveel mee. Je zit altijd met dat hoofdje (‘Wel goed het hoofdje ondersteunen hè!’) en op de een of andere manier ruikt zo’n ‘kraamhuis’ altijd naar een weeïge zweem van talkpoeder, melkkots en poepluiers.

Nu is dit alles nog tot daar aan toe. Het feit dat de meeste ouders tegenwoordig een creatieve variant van de traditiegetrouwe beschuit met muisjes serveren (‘Kijk! Een cakepop op een stok!’), dat kan ik nog wel aan. En dat ze namen verzinnen waarvan ik tot voor kort dacht dat ze alleen voor kwamen in boeken van Tolkien, dat moeten ze allemaal lekker zelf weten. Maar, als je dan op kraamvisite gaat. Als je met je mond vol cakepop die naam eindelijk goed hebt uitgesproken, dan weet je dat je onder één ding niet uitkomt. Dat er één ding is, één vraag die je onvermijdelijk gesteld zal worden:

‘Wil je de baby anders ook even vasthouden?’

En wat zeg je dan?! Nee?
Nou, dat zei ik eerst dus altijd. Totdat ik dit mijn moeder en zusje vertelde (beide goede voorbeelden van overduidelijke wél kraamvisite-tiepjes) en zij mij boos aankeken. ‘Je kan toch geen nee zeggen! Dat is hartstikke onbeleefd voor de moeder!’
Dat ik altijd dat je het vasthouden van een baby net zo kan weigeren als dat je een kopje koffie weigert (‘Nee sorry, ik houd niet zo van koffie’), blijkt dit ineens een stukje gecompliceerder te liggen. Iets met hormonen en gevoelige tepels.

‘Ah joh, dan fake je toch gewoon een verkoudheid!’, zei een collega van mij. Gewoon een beetje gericht niesen, geen moeder die haar baby aan jou afstaat. ‘Of…’,  begon een vriend, ‘zorg dat je meteen bij binnenkomst de beschuit op de grond laat kletteren. En zeg dan dat je daar wel vaker last van hebt. Dat je zomaar dingen uit je handen laat vallen.’

En toen. Toen, kwam mijn vriend ineens met hét ultieme argument. Terwijl ik voor mezelf zat te bepalen of ik echt niet gewoon netjes ‘Nee, dankjewel’ kon zeggen (zo beledigd zal ze toch niet zijn?) of dat ik me misschien toch maar gewoon aan dat wiebelhoofd moest wagen (ik kon het altijd nog ondersteunen met het stokje van die cakepop), hoor ik vanuit de keuken ineens roepen: ‘Ja dag! Je denkt toch niet dat dit ik dat ding ga vasthouden?! Dat komt uit je kut! Gatverdamme! Wat denk je wel?!’

Kraamvisite. Het zal nooit meer hetzelfde zijn.

De jackpot

De meeste mensen hadden het niet verwacht. Als zelfs je oma zegt “Nou, die had ik even niet zien aankomen!”, dan weet je dat het met het verrassingseffect wel goed zit.

Het was dan ook een impulsief besluit. Een aandoening waar ik wel vaker last van heb, maar in dit geval is het besluit het daadwerkelijk te doen wel eentje met redelijk grote gevolgen. Ik bedoel, als er een recht bij te pas moet komen om het impulsieve besluit ongedaan te maken, dan weet je dat je het over iets anders hebt dan een vliegticket naar Thailand.

En natuurlijk hadden we het er wel eens over gehad. Een beetje lacherig. Als een grapje. Zoals je het ook wel eens hebt over ‘Wat als we een miljoen zouden winnen?’ Zo’n geval van: Leuk om over te hebben, maar de kans dat het echt gaat gebeuren is erg klein.

Tot die afgelopen zondagavond op de bank. Terwijl mijn wederhelft nog een beetje lag bij te komen van zijn romantische uitstapje de avond ervoor, kwamen we er ineens op. Hoe, geen idee, maar ineens hoorde ik mezelf op de toon van mijn moeder zeggen dat het ‘wellicht wel eens handig was om samen iets vast te leggen’. Een uurtje opties, vormen en manieren googelend later, was het eigenlijk duidelijk. Onder het mom van: als ik nu doodval is het wel zo aardig als jij hier gewoon mag blijven wonen, kwam het T-woord ter sprake. Eerst ouderwets lacherig (“Zou wel een stunt zijn als we dit doen zeg!”), maar naarmate het gesprek vorderde leek de grappenkant ineens een serieuze kant te krijgen. Zo serieus dat we elkaar op een gegeven moment aankeken en zeiden: “Zullen we het dan maar doen?”

Zullen we het dan maar doen.
Dat die zes woorden tot één van de meest bizarre telefoongesprekken uit mijn leven zouden leiden, had ik iets meer dan een week ook niet kunnen vermoeden. Maar toch zat ik daar nu, aan de telefoon, met de gemeente, onze TROUWdatum te plannen! Echt, ik voelde me alsof ik 12 jaar was en voor de grap de Kindertelefoon belde. Of ik even de achternaam van mijn aanstaande kon spellen. Hoe kom ik zo volwassen ineens?

Dat ook onze ouders de bevestigingsbrief drie keer moesten lezen voordat het bericht eindelijk tot ze doordrong, zegt wel iets over het bedrag dat ze ingezet hadden op de kans dat we ooit nog zo’n besluit zouden maken. Het mooie aan zo’n een kleine winkans is wel, dat als je dan toch ineens die prijs pakt, het ook wel echt meteen de jackpot is.

Maar zoals kersverse miljonairs betaamt, moeten we zelf nog een beetje wennen aan onze nieuwe sociale status. Niet dat we nu al spijt hebben van het kopen van het lot. Maar dat de prijs die we hebben gewonnen, stiekem groter is dan we hadden kunnen denken. Want hoewel oma vast niet zal begrijpen dat we met onze jackpot voor een gratis optie zonder poespas kiezen, weten wij dat we impulsief hebben gekozen voor de beste hoofdprijs die er is: een spontaan feestje voor de liefde. En dat, is bijna net zo leuk als een ticket naar Thailand!