“De lichten van de auto zijn stuk!”
“Stuk? Heb je het knopje wel aan gezet?”
“Knopje?”
“Ja, het knopje van het licht.”
“Maar de lampen van onze auto gaan toch automatisch aan?”
“Niet als het knopje niet aan staat.”
“Huh. Die snap ik effe niet. Ik heb nog nooit een knopje aan gedaan in deze auto en toch heus niet eerder zonder licht gereden. Jij zei zelf dat de lampen van deze auto altijd automatisch aan gaan!”
“Nee, ik heb gezegd dat je bij deze auto nadat je de sleutel uit het contact hebt gehaald niet ook nog eens apart de lichten uit hoeft te draaien.”
“Ja, maar dat is toch hetzelfde dan? Automatisch aan of uit, dat maakt niet uit, het is en blijft au-to-ma-tisch.”
“Ja, maar dan moet dus wel het knopje aan staan.”
“Maar wie heeft dat knopje dan uit gezet?!”
“Ik denk ik.”
“Maar waarom?”
“Omdat je misschien niet altijd met je lichten aan hoeft te rijden als je de auto start.”
“Bij rijles anders wel.”
“Ja, maar nu zit je niet op rijles.”
“Nee, nu rijd ik als een idioot in het donker met allemaal mensen die boos naar mij knipperen omdat ik zo stom ben om niks te weten van een lichtknopje waar je mij nooit over hebt verteld.”
“Die mensen zijn niet boos, ze waarschuwen je alleen maar.”
“Ja, en dan? Ik had wel dood kunnen zijn!”
“Nou nou nou, je bent toch veilig thuis nu?”
“Ja, maar hoe!”
“Doe niet zo dramatisch.”
“Ik doe niet dramatisch. Ik vind het gewoon stom dat je mij niet even verteld over een simpel knopje dat mij wat minder dom laat lijken.”
“Ik vind je ander best een helder licht.”
“Haha, héél grappig! En het erge is, ik heb net nog op staan scheppen hè. Over ons autootje. Dat hij dan wel oud mag zijn, maar dat wél de lichten automatisch aan gaan.”
“Als je het knopje aanzet.”
“Ja, nu weet ik het wel!”
“Weet je nu ook waar hij zit dan?”
“Nee! En dat hoef je me ook niet laten zien nu. Ik ga wel op de fiets de volgende keer. Daar gaan mijn lichten tenminste wél echt automatisch van aan.”
“Vergeet je dan niet het kn…”
“Jouw knopje? Graag! Uit!”
Grijp in je kruis en doe je ding!
“Ik moet poepen! Ik moehoet poehoehoepèèèèn!”
Het is zaterdagmiddag en ik zit op een kleedje te picknicken op het stadsstrand. Het is een zomerse dag en overal zitten mensen met koelboxen, stokbroden, pakken sap en flessen wijn. Terwijl ik het brullende kind aanhoor, dat inmiddels de boodschap nog wat extra kracht bijzet door een hand achter de samengeknepen billetjes te houden, bedenk ik me dat ik eigenlijk ook een beetje moet plassen. Iets wat ik uiteraard niet luidkeels met anderen deel. Laat staan dat ik pontificaal in mijn kruis ga zitten knijpen. Hoewel dat laatste wellicht vast voor enige verlichting zal zorgen. Kinderen doen zoiets niet voor niets.
Zo niet volwassenen. Die hebben geleerd dat met je hand in je kruis rondlopen nou niet dé manier is om je hoge nood aan anderen te uiten. Als je dat al op een andere manier doet. Een ‘ik moet plassen’, durven we nog wel tegen een ander te zeggen. Een ‘ik moet poepen’ daarentegen hoor je in volwassene communicatie nog maar zelden.
En toch lijkt het me af en toe heerlijk. Om gewoon ongegeneerd te kunnen zeggen wat je denkt, voelt of wil. Keihard gillen om een ijsje bijvoorbeeld. Ook al heb je er net al één gehad. Of luidkeels schreeuwen dat je nog niet naar huis wil. En dat statement nog extra kracht bijzetten door gewoon stampvoetend naast je fiets te blijven staan en niet op te stappen. Fuck it! Ik heb geen zin, ik maak geen zin en ik doe.het.niet!
‘Gedraag je toch niet als een klein kind!’
Het is een uitspraak die vaak in de negatieve zin wordt gebruikt. En soms vraag ik me af waarom. Want wat zou het leven op sommige fronten toch heerlijk simpel zijn als we ons allemaal gewoonweg zouden gedragen als een kind. Geen geneuzel, geen gekontdraai, geen boodschappen met een andere betekenis of een dubbele laag. Als ik jou lief vind, dan vraag ik of je mijn vriendinnetje wil zijn en als ik jou stom vind, dan geef ik je gewoon een duw. Simple as that.
Terwijl mijn eigen blaas steeds strakker begint te staan rent het ‘ik moet poepen’ jongetje alweer opgelucht rond. Hij glijdt van de glijbaan en bouwt kastelen in het zand. Hij is niet bezig met wat anderen van hem denken of hoe hij zich zou moeten gedragen. Hoe anders is dat met de volwassenen. Ik denk terug aan de avond ervoor toen er een feestje was op het strand en een groep mensen naar mij toe kwam met de vraag ‘wat de bedoeling’ was. De bedoeling? De bedoeling? Er is geen bedoeling! Heb plezier en doe je ding!
Inmiddels is het voor mij duidelijk dat mij nog maar één ding te doen staat. Ik moet plassen. En snel! Bijna gil ik uit, maar ik bedenk me net op tijd. Ik ben geen klein kind meer. En de enige volwassene die weg kwam het grijpen naar zijn kruis was Michael Jackson.
Vrijheid
“Maarre…als je binnenkort nog eens om een onderwerp voor een blog verlegen zit, kun je dan alsjeblieft wat schrijven over dat achterlijke sentimentele gedoe wat ieder jaar rond deze tijd weer bij hordes onnozelen lijkt los te barsten, omdat ze zo nodig ‘respect’ en medeleven willen uiten? Echt, als er één ding is wat ik niet snap en me gewoonweg kapot aan erger, dan is het dat.”
Het is donderdagmiddag, 5 mei en we zijn – ironisch genoeg – op weg naar een bevrijdingsfestival. Een festival waar muziek klinkt en jongeren zich klem zuipen ‘opdat we niet zullen vergeten’. Iets waar de meesten zich de volgende dag overigens weinig van zullen herinneren. Het vieren van onze vrijheid gaat voor velen gepaard met de vrije inname van alcohol. Overigens zal ik de laatste zijn die verschaald bier uit een plastic beker op een festivalterrein met vertrapt gras niet naar vrijheid vindt ruiken. Maar dat terzijde.
Ik denk na over de uitspraak die zojuist gedaan is en moet meteen denken aan berichtje dat ik een dag eerder op mijn tijdlijn voorbij zag komen. ‘Zojuist twee minuten stilte gehouden…op de vrijheid!’ Bijna had ik als reactie ‘proost!’ willen roepen, maar besefte me tegelijkertijd dat zo’n antwoord de onbedoelde misplaatstheid nog meer zou benadrukken.
“Mensen roepen maar wat zonder dat ze enig besef hebben hoe het zit. Het is zo makkelijk met de bekende slogans en termen te houden. Om te roepen hoe fijn het is dat we in vrede en vrijheid leven. Maar ze hebben géén idee. Totaal géén idee! Collectief sentiment, dat is het. Emotie zonder inhoud. In plaats van dat ze zich er eerst eens in verdiepen….”
Tja, verdiepen. Met een biertje in mijn hand staar ik naar het scherm naast het podium. ‘Vier je vrijheid!’ wordt me toegeschreeuwd. Ik kijk om me heen en vraag me af of iedereen hier net zo onwetend is over vrijheid als ik. Want weet je eigenlijk wel wat vrijheid is als je het nooit als meer dan vanzelfsprekend hebt hoeven ervaren? Weet je wat vrijheid is als als je nooit onder vuur hebt hoeven liggen? Weet je wat vrijheid is als je nooit oorlog hebt gekend?
Misschien is vrijheid wel het feit dat iedereen er zelf voor kiest om het wel of niet collectief te herdenken. En te vieren. Is het een ander niet te veroordelen om zijn of haar sentiment. Of juist het gebrek eraan. Is het met een biertje in je hand (of liever een spaatje rood) luisteren naar je favoriete artiest, en door zijn woorden over vrijheid zo geraakt worden dat je sentiment het alsnog even verliest van de ergernis en frustratie.