Grijp in je kruis en doe je ding!

“Ik moet poepen! Ik moehoet poehoehoepèèèèn!”

Het is zaterdagmiddag en ik zit op een kleedje te picknicken op het stadsstrand. Het is een zomerse dag en overal zitten mensen met koelboxen, stokbroden, pakken sap en flessen wijn. Terwijl ik het brullende kind aanhoor, dat inmiddels de boodschap nog wat extra kracht bijzet door een hand achter de samengeknepen billetjes te houden, bedenk ik me dat ik eigenlijk ook een beetje moet plassen. Iets wat ik uiteraard niet luidkeels met anderen deel. Laat staan dat ik pontificaal in mijn kruis ga zitten knijpen. Hoewel dat laatste wellicht vast voor enige verlichting zal zorgen. Kinderen doen zoiets niet voor niets.

Zo niet volwassenen. Die hebben geleerd dat met je hand in je kruis rondlopen nou niet dé manier is om je hoge nood aan anderen te uiten. Als je dat al op een andere manier doet. Een ‘ik moet plassen’, durven we nog wel tegen een ander te zeggen. Een ‘ik moet poepen’ daarentegen hoor je in volwassene communicatie nog maar zelden.

En toch lijkt het me af en toe heerlijk. Om gewoon ongegeneerd te kunnen zeggen wat je denkt, voelt of wil. Keihard gillen om een ijsje bijvoorbeeld. Ook al heb je er net al één gehad. Of luidkeels schreeuwen dat je nog niet naar huis wil. En dat statement nog extra kracht bijzetten door gewoon stampvoetend naast je fiets te blijven staan en niet op te stappen. Fuck it! Ik heb geen zin, ik maak geen zin en ik doe.het.niet!

‘Gedraag je toch niet als een klein kind!’
Het is een uitspraak die vaak in de negatieve zin wordt gebruikt. En soms vraag ik me af waarom. Want wat zou het leven op sommige fronten toch heerlijk simpel zijn als we ons allemaal gewoonweg zouden gedragen als een kind. Geen geneuzel, geen gekontdraai, geen boodschappen met een andere betekenis of een dubbele laag. Als ik jou lief vind, dan vraag ik of je mijn vriendinnetje wil zijn en als ik jou stom vind, dan geef ik je gewoon een duw. Simple as that.

Terwijl mijn eigen blaas steeds strakker begint te staan rent het ‘ik moet poepen’ jongetje alweer opgelucht rond. Hij glijdt van de glijbaan en bouwt kastelen in het zand. Hij is niet bezig met wat anderen van hem denken of hoe hij zich zou moeten gedragen. Hoe anders is dat met de volwassenen. Ik denk terug aan de avond ervoor toen er een feestje was op het strand en een groep mensen naar mij toe kwam met de vraag ‘wat de bedoeling’ was. De bedoeling? De bedoeling? Er is geen bedoeling! Heb plezier en doe je ding!

Inmiddels is het voor mij duidelijk dat mij nog maar één ding te doen staat. Ik moet plassen. En snel! Bijna gil ik uit, maar ik bedenk me net op tijd. Ik ben geen klein kind meer. En de enige volwassene die weg kwam het grijpen naar zijn kruis was Michael Jackson.

Advertenties

Een kind is geen kat

“Zou je dat nou wel doen?”

Het is een jaar geleden. Aan de telefoon heb ik mijn moeder. Ze klinkt duidelijk niet gerust op hetgeen dat ik op het punt sta te gaan doen.

“Het is wel een hele verantwoordelijkheid hoor. Heb je er wel goed over na gedacht? Ik bedoel, je moet het natuurlijk zelf weten, maar ik weet niet of dit nou zo’n goed besluit is.”

Met een zucht zet ik de kattenmand neer. Zou Panda liever daar in de hoek willen liggen of liever bij de verwarming slapen? Het is natuurlijk al een oud baasje, dus wat warmte is misschien wel lekker. Ben wel benieuwd of hij die krabpaal echt gaat gebruiken. Ach, maakt niet uit, we zullen wel zien.

Ondertussen ratelt mijn moeder ongerust verder. Of ik wel weet dat we nu niet zomaar meer een weekend weg kunnen. En dat zo’n beestje ook vast wel wat kost. “En wat als ie ineens naar de dierenarts moet? Straks krijg je nog vlooien in huis!”

“Mam, heus niet iedere kat heeft vlooien hoor!”, zeg ik – lichtelijk geïrriteerd – terwijl ik wat speeltjes in de mand gooi. Een pluchen muis en een soort stuiterbal met een belletje. Vindt zo’n beest dat eigenlijk wel leuk, zo’n irritant belletje? Hadden ze er niet beter een schattig vogeltjesgeluid in kunnen bouwen? Dat werkt toch veel beter?

“Weet je zeker dat je niet te overhaast beslist hebt? Ik vind het nogal wat om zo impulsief een oude kat in huis te halen. Straks mankeert ie vanalles en zit jij eraan vast!”

Net zoals bij een kind.
Wil ik eigenlijk zeggen.
Maar dat doe ik niet.
Je moet immers altijd uitkijken om je niet per ongeluk op het gladde pad van ‘kind in vergelijking met huisdier’ te bevinden. Dat is wat je noemt een ‘no-go-vergelijking’. Een kind is geen kat. En dat is maar goed ook. Ik bedoel, anders had  ik in plaats van een kat immers ook ‘gewoon’ een kind kunnen nemen. Toch?

En toch kan ik de stiekeme gedachte niet onderdrukken. Want wat áls ik mijn moeder had gebeld met het bericht dat ik niet een kat maar een kind zou krijgen. Hoe zou ze dan hebben gereageerd? Vast niet met als eerste reactie “Weet je dat wel zeker?” of “Enig idee hoeveel verantwoordelijkheid zoiets met je meedraagt? Een spontaan weekendje weg zit er nu niet zomaar in hoor!”

Nee, mijn moeder zou lyrisch zijn. Buitengewoon verbaasd uitzinnig. Niks geen vragen over kosten, stapels luiers of waterpokdrama’s. Ja, slapeloze nachten, die zijn wel vervelend. Maar kind, kind, je krijgt er zóveel voor terug!

Inmiddels zijn we een jaar verder. Naast mij ligt een bolletje pluis tevreden slapen te op de bank. Een kleine kotsbui is opgeruimd. Het mandje dat ik had gekocht is niet meer in gebruik. Net zoals die onaangeraakte krabpaal. Gisteren moesten we onverwachts even naar de dierenarts. Wellicht iets van een vlooienallergie. Glimlachend denk ik terug aan het telefoongesprek met mijn moeder. Een beetje gelijk had ze wel. Zo’n kat is een hele verantwoordelijkheid. Maar jongens, geloof mij, je krijgt er zóveel voor terug!

20140903_151113