Haast om te leven

“Haast om te leven. Zo noemde iemand het laatst.”

Ik neem nog een slokje van mijn wodka. Mijn vierde. Of vijfde. Voordat we naar Polen vlogen was ik er stellig van overtuigd dat wodka niet mijn ding was. Totdat ik de wodka met smaakjes ontdekte en mijn stellige overtuiging met de eerste slok weer introk. Gekke jongens die Polen.

“Kijk, weet je wat het is. Eigenlijk wil ik het gewoon allemaal. En het liefst alles tegelijk. Ik wil vanavond tot diep in de nacht wodka drinken, maar morgenochtend de frisse sportvrouw uithangen. Ik wil carrière maken, maar er tegelijkertijd niets om geven. Ik wil iedere week op stap, maar ook lui op de bank liggen. Ik wil meer met schrijven doen, maar ook nog eens een ander instrument leren spelen. Ik wil…oh yes, another vodka please.”

De blokjes ijs klingelen in mijn glas. Ik houd van de lichte roes die in mijn hoofd ontstaat. Met iedere slok vertraagt mijn haast een beetje. En voor ik het door heb zit ik ineens zachtjes een liedje uit De Kleine Zeemeermin te neuriën.

“De blaadjes zijn altijd groener
In andermans zeewierwoud
Maar als je daar van gaat dromen bega je een grote fout
Waarom ben je niet tevreden met al wat de zee je biedt
Het is hier zo mooi beneden dat vind je daar boven niet.”

Nooit gedacht dat ik de krab Sebastiaan nog eens vanuit filosofisch oogpunt zou aanschouwen. Ik neem een slok en denk nog eens na. Wat voor wodka is dit eigenlijk?

“Maar het is toch ook niet mijn schuld dat ik zoveel wil? Ik bedoel, het wordt je toch ook overal om de oren gesmeten dat je vooral álles uit het leven moet halen en je ‘life to the fullest’ moet leven? Work hard, be zen, eat chocolate, stay thin, have a career and loads of friend, live, love, laugh….and have another vodka.”

Ik kijk om mij heen naar de mensen in de kroeg. De barman speelt een spelletje op zijn smartphone, de Spanjaard aan de bar maakt zich druk om het voetbal op de tv, de barvrouw glipt naar buiten voor een sigaretje en de jonge Poolse jongens bestellen nog een biertje. Ineens lijkt de haast verdwenen en de tijd stil te staan. Op de achtergrond neuriet een filosofische krab liedjes in mijn hoofd. Na zdrowie!

“Hier in de zee heb ik het best
Wij hebben zelfs een kreeftenorkest
Zorgen vergeet je altijd een beetje…diep in de zeeee…
Net als die slakken blijven we plakken…Hier in de zee…
Kijk hem eens blazen
Als een extase waar wij naar streven is een goed leven…
Wij zijn tevreden heel ver beneden
Diep in de zeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeee…………..”

Een verdrinkende vriendschap

“Ik dacht dat jij niet zo van de museums was.”

Het is de toon in de stem die haar verraadt. Het ietwat hooghartige gecombineerd met het laconieke. De lichte irritatie gecombineerd met een vleugje ‘het kan me eigenlijk ook niet schelen.’ Het is niet de retorische vraag zelf, maar de manier waarop ze hem stelt die de barstjes blootlegt. Als het al geen barsten zijn.

De twee dames zijn ergens halverwege de zeventig. ‘Moeder-vriendinnen’, gok ik. Ooit door het lot van hun kinderen op het schoolplein bij elkaar gebracht, waarna ze met naschoolse koekjes en thee (en, als de vier in de klok was, een glaasje witte wijn) lief en leed met elkaar deelden. Hun kinderen groeide samen op, ze kenden elkaar partners, gingen wel eens samen uit eten en een paar keer per jaar met de trein op pad om iets leuks te ondernemen.

“Nee, als jij liever met de bus naar het centrum wil is dat prima hoor. Ik loop gewoon graag.”

De eerste barstjes kwamen toen de kinderen het huis uit gingen. En toen zij scheidde van en verhuisde. Daar waar hun levens eerst op één lijn leken te liggen, raakten ze langzaam maar zeker steeds meer van elkaar verwijderd. Paden kruisten steeds minder en zochten hun eigen weg. ‘Zo gaat dat’, dacht zij. ‘Toch jammer’, dacht haar vriendin.

Het is het verwateren van vriendschappen, waarbij de golven toch steeds weer naar het vaste land blijven trekken. Naar het fundament van wat eens was, naar de mooie herinneringen en de basis. Maar die basis brokkelt af. Hoe graag de golven ook willen, het eb lijkt het langzaam maar zeker van de vloed te gaan winnen. Een pijnlijk proces. Vooral als één helft van de vriendschap in al haar onschuld niet doorheeft wat er gaande is. Of het niet wil beseffen en dus uit alle macht maar water naar de zee blijft dragen.

“We hoeven niet te gaan hoor. Als je je zo verkouden voelt.”

Maar zij wil gaan. Ze negeert de blikken in de ogen tegenover haar die boekdelen spreken. Ze weet dat het over is. Misschien. Maar zolang ze deze middagen nog hebben. Zolang ze eens in de zoveel tijd weer gewoon samen op de trein stappen ‘om iets leuks te gaan doen’, houdt ze hoop dat het nog niet voorbij is. Houdt ze hoop dat iets wat eens was, misschien ook wel weer kan zijn. Vergeet ze de verschillen die tussen hen zijn gegroeid en de geschiedenis die littekens heeft achtergelaten. Spreken ze weer even elkaars taal en knipogen ze naar elkaar als het vier uur is en de fles wijn op tafel mag komen.

De trein stopt. Het eindstation is daar.
“Leuk tentje waar je wijn kan drinken? Sorry, ik heb besloten dit weekend niet te drinken.”

De kans van een klapstoel

“Zal ik je anders wat liedjes laten horen? Niet om oneerbiedig te klinken, maar als je er nu toch bent, kan ik net zo goed ‘misbruik’ van die situatie maken.”

Ik moet lachen. En aangezien ik van de week nog ergens heb gelezen dat het goed voor je is om af en toe iets impulsief te doen, ga ik ervan uit dat een impulsieve uitnodiging aannemen in dit geval ook telt. Ik laat me in de naam der kunst misbruiken. Vooruit dan maar.

“Ik heb me opgegeven voor het kleinkunstfestival. Tien minuten moet het duren. De liedjes heb ik wel, maar ja, je moet tussendoor natuurlijk ook nog wel een beetje iets zeggen. En ik ben nou niet direct het cabaret-achtige type als je begrijpt wat ik bedoel.”

Grappig vind ik het, als mensen die je amper kent, bevestiging vragen op wie of wat ze al dan niet aan persoonlijkheid zijn. Ik probeer me in te beelden hoe een cabaret-achtig type eruit zou moeten zien. Alsof deze mensen allemaal uit hetzelfde hout gesneden zijn en als IKEA-bouwpakketten op een podium worden aangeleverd. Zou hij uit de cåbårøt serie kunnen stammen? Of is het toch meer een degelijk eiken type?

“Ooit heb ik wel eens meegedaan. Aan een liedjeswedstrijd. Ik heb zelfs nog een derde prijs gewonnen. Maar ja, toen was ik 27. De muziek was mooi, maar een carrière door mijn omgeving meer gewenst. Dus speelde ik het spelletje mee. Als afdelingschef, als ICT-consultant. Rollen die ik aannam, maar die me niet pasten. En nu ben ik over een paar weken werkloos. Misschien is dit wel een sein van boven. Ik weet het niet.”

Ik weet het. Dit is een degelijke eiken houten tafel, die liever een IKEA-kast had willen zijn. Of nee, nog beter, een zelfgemaakt meubelstuk. Verrast door zijn openheid vraag ik me af hoe het met mijn eigen meubelstatus staat. Misschien ben ik wel meer een klapstoel. Zo een die van alles doet en overal komt, maar nergens lang genoeg blijft staan om echt indruk te maken.

“Jij doet ook veel verschillende dingen hè? Treed je ook op?”

Ik benoem dat mijn klapstoel wel hier en daar op wat plekken heeft gestaan. Een amateurtoneelclubje hier, een zanglesje daar, beetje presenteren, wat schrijven. Maar echt optreden? Misschien kom ik daar toch wat sloophout hout tekort voor. Of net dat ene IKEA-schroefje. Waar ik makkelijk iets anders voor had kunnen verzinnen, als ik maar…

“…gewoon zou durven. Ik denk dat dit is wat me altijd heeft tegengehouden. Maar wat heb ik nu te verliezen? Niks toch? Ik heb me dus maar gewoon ingeschreven en zie wel waar het schip strand. Aan ‘had ik maar’ heb ik niets. Nu is nu en je weet nooit hoeveel tijd je gegeven is, dus ga ik er maar gewoon voor.”

Met mijn klapstoel onder mijn arm stap ik weer naar buiten. Een onverwachts moment van misbruik doet me beseffen dat het aan mijzelf is om al dan niet het ‘slachtoffer’ van de stoel uit te hangen. Ik kan me bij mijn lot neerleggen óf…gewoon zelf met dat bouwpakket aan de slag gaan. En ook al mis ik hier en daar wellicht nog een schroefje, wie aan de weg wil timmeren, zal spijkers met koppen moeten slaan.