Sinterklaascadeau

Huisdieren geef je niet cadeau.
Sinterklaas had hier echter lak aan toen ik op zevenjarige leeftijd twee cavia’s in een kooi vond tijdens pakjesavond. Eentje voor mij, eentje voor mijn zusje. Het stond dan ook duidelijk op ons verlanglijstje geschreven: ‘Graag een caaviaa alstuublieft.’ Tegen zoveel beleefdheid was de Sint niet opgewassen.

Mijn zusje noemde die van haar Belle, maar aangezien ik weigerde die van mij Beest te noemen, werd het Platvoetje, naar de gelijknamige dinosaurus in de tekenfilm waar ik zo hard om moest janken.
Ja, ik was een gevoelig kind. En toen mijn zusje haar huisdiercadeau inderdaad binnen afzienbare tijd zat was en verruilde voor een pop die zelf kon poepen en plassen, stortte ik me als een toegewijde Foster Parent op beide cavia’s.

Groot was dan ook het verdriet toen bleek dat levende dieren vaak minder lang meegaan dan dieren van stof. En daar waar je aan een pluchen konijn nog wel een nieuw oor kan naaien, kon de dierenarts nu toch echt niets meer betekenen.

Nooit eerder had ik tranen met tuiten gehuild om een Sinterklaascadeau. En ik besloot, met het snot nog aan mijn mouwen, dat dit ook niet meer zou gebeuren.

Het jaar erop kreeg ik een Barbie.

Ik ben er nooit echt van gaan houden.
Maar ik heb er in ieder geval nooit om hoeven huilen.

Black Friday

Al weken word je ermee om de oren geslagen.
In de mail, op Facebook, in bushokjes en godbetert zelfs een speciale editie van het lokale krantje. Met schreeuwerige letters en deals ‘die je écht niet mag missen’, lijkt dit Sinterklaasfeest voor volwassenen zelfs voor héél even die hele pietendiscussie naar de achtergrond te doen verdwijnen. De actuele vraag is nu: willen we een zwarte of een witte keukenmachine?

Black Friday. Het ‘feest’ dat uit Amerika is overgewaaid en traditioneel volgt op de dag na Thanksgiving. Immers, niks lekkerder dan na een hele dag dankbaar te zijn geweest, je daarna het schompes te shoppen. Zo dankbaar zijn we voor al die koopjes en afprijzingen. Die overigens lang niet altijd echte koopjes en afprijzingen zijn. Maar dat willen we niet horen. We willen rood doorkraste cijfers zien en oplopende percentages die een aflopend schuldgevoel tonen.

Want nee, natuurlijk hebben we niks nodig. We zijn immers dankbaar voor wat we hebben toch? Maar ja, die broek voor een tientje en dat extra paar hakken voor een bijzondere gelegenheid ook al weet je nog niet wanneer die gelegenheid zal zijn, die kun je natuurlijk niet laten liggen, toch? Een schuldgevoel hebben is erg, maar een dief van je eigen portemonnee zijn is onvergeeflijk.

Gelukkig gloort er hoop aan de horizon. En dat is dat het vandaag ook Sint Pannekoek is: Een feestdag en waarbij onder andere geld wordt ingezameld voor lokale goede doelen. Dat het een verzonnen feestdag is van Jan Kruis in zijn strip Jan, Jans en de kinderen, dat doet er niet toe. Als je met een nep-feestdag daadwerkelijk iets voor een ander kan betekenen, dan is alleen dat al de reden waard om het jaarlijks groot te vieren.

Enne…met een beetje geluk is de pannenkoekmix vandaag flink in de aanbieding.

Werd het toch nog een mooie dankbare vrijdag.

Zwijgen

Zwijgend zitten we na een lange dag in de auto.
Het is een goed zwijgen. Een fijn zwijgen. Zo’n zwijgen dat alleen kan bestaan in gezelschap van vertrouwen. Het vertrouwen dat het goed is. Tussen ons.

Buiten is het langzaam donker geworden. Kleine lampjes knipperen in de verte, vergezeld door rode lampen voor ons en witte lampen in onze linkerooghoek flitsend voorbij. Het een uur eerder nog zo groene landschap is inmiddels vervormd tot een grote zwarte vlakte. Een leeg niets, met alleen die lampjes als een bijna buitenaardse herinnering aan beschaving.

De weg is rustig. We kunnen doorrijden. Met het knipperlicht via de linkerbaan langs de auto op rechts. Daar zitten twee verlichte koppies achterin. Een jongetje links, een meisje rechts. Zij houdt iets vast. Een knuffel? Haar hart? Als gezogen lijken ze opgeslokt door de beelden die zich voor hun neus in fel licht manifesteren. Een aards ruimteschip met voorin hun ouders. Strak voor zich uitkijkend. Zwijgend.

Dan legt hij zijn hand op mijn been, draait zijn hoofd naar mij toe en zegt:
‘In een parallel leven was ik dat misschien geweest.’
Hij knikt en wijst met zijn hoofd naar de stationwagen, het blauwe licht, het zwijgen.

‘Maar nu ben ik hier, met jou. En ik zou het niet eens hoeven weten, als er een ander leven zou bestaan.’