Van online naar offline

“Dus je gaat morgen helemaal naar Zeeland? Hoe ken je die mensen eigenlijk?”
“Gewoon. Via Twitter.”
“Via twitter?”
“Ja.”
“En die heb je dan nog nooit gezien?”
“Nee. Hoezo?”
“Nou, ehhh…nee, niks. Eh, leuk.”

Mensen ontmoeten via social media. Je zou het niet zeggen, maar je wordt er vaak toch een beetje vreemd op aangekeken. Daar waar internetdaten inmiddels toch wel aardig ingeburgerd is en als redelijk normaal wordt gevonden, is het sluiten van vriendschap via online kanalen toch nog wel een dingetje. Want hoe sociaal social media ook klinkt, zijn de zogenaamde vriendschappen op deze kanalen niet gewoon vage kennissen? Mensen die je volgt maar eigenlijk niet kent? Nepvrienden waarmee je stoer kan doen achter een filter waar je alleen de leukste versie van jezelf hoeft te laten zien?

Want hoe sociaal is social media eigenlijk? We lezen steeds meer berichten over mensen die alsmaar naar een schermpje staren. Over volle treincoupés waar mensen vroeger nog wel een praatje met elkaar aanknoopten, maar nu alleen nog gesproken wordt via de WhatsApp. Hoe dichter we gekluisterd zijn aan ons scherm en onze wereld daar, hoe verder we verwijderd raken van de ‘echte’ wereld en het hier en nu.

Toch?

Of ligt het misschien toch anders? Ligt het misschien aan jezelf? En aan hoe sociaal je die sociale media zelf maakt? Want waarom zou je die online wereld niet kunnen gebruiken om je offline wereld leuker te maken?

Bij internetdaten wordt vaak gezegd: ‘Ik zou niet weten hoe ik hem anders ontmoet zou hebben! Ik zou anders nooit op die plek zijn gekomen.’ Dankzij internet is de wereld kleiner geworden. In plaats van alleen mensen te ontmoeten in de kroeg om de hoek, kun je soms onverwachts hele leuke online gesprekken voeren met iemand aan de andere kant van het land. Of zelfs de andere kant van de wereld. En ja, dan kun je er kiezen om het daarbij te laten. Maar je kan er ook voor kiezen om de stap te wagen en op date te gaan. Want wie weet wat voor leuk contact of vriendschap eruit voort kan groeien?

En nee, ik ben echt niet van plan al mijn 1100 twittercontacten op mijn verjaardag uit te nodigen (zo groot is mijn vogelhuisje nou ook weer niet), maar net zoals met daten zitten er mensen tussen waarvan je graag meer wil weten. Met wie het klikt. Online. En offline.

Je moet alleen de stap durven zetten. En ja, dat is best spannend. Want je zal toch maar tweeënhalf uur naar Zeeland rijden of in de auto naar Bremen stappen en dan iemand ontmoeten waarvan je het liefst hard weg wil rennen. Of dat die ander een heel ander beeld van jouw online profiel had en je in het echt zonder filtertje gewoon keihard tegen vindt vallen. Het kan. En het zal vast een keer gebeuren.

Gelukkig hebben mijn blind dates eigenlijk vooral mijn ogen geopend en laten zien wat voor mooie dingen uit dit soort ontmoetingen kunnen komen. Van Bollywoodfilmmaatje tot hardloopvriendin en van bierkabouter tot creative coffee lover. Ik heb zelfs social media vrienden die afgelopen jaar op ons trouwfeest waren. Het kan verkeren…

En zo reden we afgelopen weekend dus ook naar Zeeland. Voor de tweede keer maar liefst. Van tweets naar koffie en van likes naar real life knuffels. En voor je het weet hang je dan in de lucht en bespreek je op twee meter hoogte zaken waar je het nu eindelijk echt uitgebreid over kan hebben. Want dat is het mooie van social media: je kan het net zo sociaal maken als je zelf wilt. Online én offline.

 

Gelyncht

“Ik vind dat ze er wel een goede naam voor hebben gekozen: Lynch syndroom. Zou me inderdaad wel aardig gelyncht voelen als ik het blijk te hebben.”

Over kanker maak je geen grappen. Maar soms werkt humor nou eenmaal uiterst relativerend. En als er nog niks te huilen valt, dan kun je er maar beter om lachen. Want vijftig procent; dat kan zowel halfvol als halfleeg zijn. En dan nog hoef je het niet te slikken.

Ik ben nooit echt een ster geweest in wiskunde, maar kansberekening, dat kan ik nog wel. Dus toen mijn moeder mij gistermiddag belde met de positieve uitslag (die ik overigens meer negatief vond), wist ik: een halve taart kans dat het gen ook in mijn helft verstopt zit.

En dan ga je googelen. Uiteraard. Want ‘google is your best friend’, ook in tijden van mogelijke genen verstopt in taartpunten. En als ik die taart dan toch ga aansnijden, dan wil ik eigenlijk ook wel gewoon weten wat een ‘verhoogde kans op kanker’ betekent. Dat heeft uiteraard niks met hypochondrie te maken, maar puur met wetenschappelijke onderbouwingen van wiskundige berekeningen die uiteindelijk ook weer door gevallen van uitzondering en geluk keihard teniet kunnen worden gedaan.

Want kijk naar mijn oma, opperdraagster van het gen (weten we sinds kort). Zesentachtig jaar is ze inmiddels, rookt als een ketter, maar in haar taart zit tot nu toe gewoon slagroom in plaats van kanker.

Het hoeft dus niet.

Ophef over niks of ‘had ik het maar geweten’? Bij een kwart tot driekwart van de besmette taartpunten leidt het syndroom uiteindelijk tot ziekte. Dat is dus 25 tot 70 procent over de helft van je genen. Klinkt veel en weinig tegelijk. Het kan vriezen, het kan dooien. En je kan ook gewoon morgen onder een auto terecht komen (die kans is 1 op 623).

Of ik me laat testen? Ja, toch wel. Niet uit angst, maar uit nieuwsgierigheid. Omdat ik het toch graag wil weten. En omdat er dan in ieder geval extra controles uitgevoerd kunnen worden. Niet dat je daarmee alles kan voorkomen, maar je kan het in sommige gevallen wel voor zijn. En natuurlijk, dood gaan we toch en uiteindelijk allemaal. Maar als het even kan, eet ik mijn taart gewoon met slagroom en word ik liever niet gelyncht.

Portie pus

“Wow! Moet je deze zien!”

Terwijl de cyste langzaam uitgeknepen wordt, knijp ik mijn ogen dicht.
De ogen van mijn zusje daarentegen worden alsmaar groter en even denk ik dat ze nu het allerliefst in haar beeldscherm en in die puist zou willen kruipen om het uitknijpproces tot in volle glorie en detail te ervaren.

“Oh, ik vind dit toch zo lekker! Het is toch heerlijk om een puist uit te kunnen knijpen? Ik vind het gewoon bijna rustgevend om naar te kijken.”

Terwijl ik licht misselijk boven mijn kop thee hang, is mijn zusje alweer aanbeland bij de volgende mee-eter. Haast gehypnotiseerd kijkt ze hoe de zogenoemde krater van een blackhead met duwende vingers wordt bewerkt en daarna met een pincet uitgelepeld.

“Kijk deze! Kijk deze! Gigantisch! Niet normaal wat daar allemaal uitkomt!”

Ik wil het niet weten. Ik hoef het echt niet weten. Kunnen we niet gewoon naar schattige kattenfilmpjes kijken? Of naar baby’s die citroenen eten? Naar geiten met grote ballen voor mijn part. Als er maar geen pus of andere rotzooi uitkomt.

Des te witter ik wegtrek, des te roder worden de konen van mijn zusje. Als je wilt kun je jezelf op Youtube namelijk de hele avond vermaken met filmpjes van ontploffende puisten, etterende cystes en wormvormige uitstulpingen. Er is zelfs een Amerikaanse dermatologe die onder de veelzeggende naam ‘Dr. Pimple Popper’ een eigen Instagram-account en Youtube-kanaal heeft om mensen zoals mijn zusje dagelijks van een portie pus te voorzien. Het zal je baan maar wezen…

Maar blijkbaar is er dus wel een behoefte.  Ik bedoel, als je 2,4 miljoen volgers kan krijgen krijgen met het uitknijpen van puisten dan zijn er dus meer mensen zoals mijn zusje die rustig een mini-marsje kunnen wegwerken terwijl ze likkebaardend in plaats van kokhalzend kijken naar hoe de grootste puist ter wereld wordt opengesneden.

Pas als het laatste restje pus eindelijk zijn weg naar buiten heeft gevonden, is mijn zusje bereid iets anders op te zetten. Ik herinner me dat ik van de week een heel schattig filmpje voorbij zag komen van kittens die geboren werden. Terwijl ik het filmpje opzet en met grote ogen vol bewondering zit te kijken, draait mijn zusje haar hoofd wit weg.

“Gatverdamme! Die moederkat likt gewoon haar eigen kinderen schoon terwijl ze net uit haar zijn gekomen!”

Langzaam stop ik een mini-marsje in mijn mond en probeer niet te denken aan de pukkel die ik op mijn kin voel opkomen.