Goed druk

“Hé, hoi! Hoe gaat het?”
“Ja, goed! Druk. Je weet wel.”

Goed en druk.
Wanneer het precies ontstaan is weet ik niet, maar als je de meeste openingsgesprekken tegenwoordig moet geloven, dan  zijn de woorden ‘goed’ en druk’ er twee die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.

Met wie het druk heeft gaat het goed. En vice versa. Druk zijn staat immers synoniem voor een succesvol bestaan. Voor een goede baan en dito sociaal leven. Voor feestjes hier en vergaderingen daar. Voor sportclubjes, vrijwilligerswerk, nieuwe recepten proberen, social media bijhouden, dat ene boek nog lezen, het nieuws bijhouden, je kinderen opvoeden…

Druk is hoe het leven hoort te zijn.
Maar is dat eigenlijk wel zo?

Vrijwel nooit hoor je een gesprek waarbij de ‘hoe gaat het’-vraag wordt beantwoord met “Ja, goed! Lekker rustig”.
‘Lekker rustig’ staat namelijk helemaal niet gelijk aan goed. Wie rustig is, daar moet wel iets mee zijn. Werkloos, ziek, of  – oh, de horror! – misschien wel gewoon lui. En lui, dat is wel het laatste waar we geassocieerd mee willen worden. Dus plannen we onze dagen vol. Zo vol dat er geen luie momenten meer over zijn. En zijn die er onverwachts toch, dan verzinnen we wel wat anders om ‘druk’ mee te zijn. Want druk zijn is goed en wie bezig is telt mee.

Maar wat als ‘altijd druk’ helemaal niet zo goed voor je is? En wat als blijkt dat het helemaal geen schande is om soms ongegeneerd even helemaal niks te doen? Gewoon, omdat ons systeem nou eenmaal niet is ingesteld om constant maar bezig te zijn.

Vergelijk het met een computer die altijd stand-by staat. Ook daarvan weet je, die moet een keer uit. Of op zijn minst een keer gereset. Anders beland je huilend in de tuin naast een racefiets met lege banden, omdat je nergens de fietspomp kunt vinden (geloof me, ik kan het weten). En isn’t it ironic dat die jankpartij dan niet gaat om die lege fietsbanden, maar het feit dat je zelf helemaal bent leeggelopen. Dat is immers wat je krijgt als de druk er constant opstaat. Dan kun je wachten tot de band klapt.

Hoe hoger de druk, hoe harder de klap. Vaak komen we daar echter pas achter als de rek er echt helemaal uit is. Een klein gaatje kun je nog wel plakken. Een klapband daarentegen…

Dus laten we het eens proberen. Laten we proberen elkaar niet constant voor de gek te houden. Laten we proberen de fabel te doorbreken dat druk en goed niet zonder elkaar kunnen. Laten we proberen eens ongegeneerd een off-day te hebben. Laten we proberen niet altijd te willen presteren. Laten we proberen het OK te vinden om een hele avond met een simpel tijdschrift op te bank te zitten. En dat ook gewoon aan anderen toe te geven. Laten we proberen ons dit niet alleen maar voor te nemen, maar het ook gewoon te doen. Gewoon af en toe eens lui zijn. Zonder dat we ons daar druk over maken.

Roman Cats

“Heb jij er al één gezien?”
“Nee, nog geen één! Zo kunnen we niet naar huis hoor! Er moet er toch ergens op zijn minst eentje zijn!”

We zijn een weekend naar Rome en we zijn op zoek.
Sommige mensen maken er tijdens hun vakantie een sport van om letterlijk álle hoogtepunten te zien. Anderen krijgen juist weer een kick van het vinden van authentieke plekjes waar echt helemaal geen andere toeristen komen. De culinaire reizigers onder ons rusten niet voordat ze op zijn minst in het beste restaurant van de stad hebben gegeten. Anderen zijn weer constant op zoek naar het lekkerste kopje koffie, het foutste souvenir, de grappigtse koelkastmagneet of de meest instagram-waardige foto-spot.

En wij?
Wij zijn op zoek naar katten. Of poezen. (Het is maar welke naam je aan het mauwende beestje wil geven).

Wanneer het is begonnen weet ik niet meer precies, maar het moet zo’n vier jaar geleden zijn, toen we onze eigen kat kregen. Je zou het dus een vorm van kattenheimwee kunnen noemen. Feit is in ieder geval dat we sinds we zelf personeel zijn geworden van zo’n exemplaar met snorharen, dat onze voelsprieten er automatisch ook meer voor open staan.

En met succes. Er gaat geen vakantie voorbij of we slagen in onze missie om op zijn minst een kat te spotten, maar liever nog te aaien of voor even vriendjes mee te worden. Een gegeven dat de niet-dierenvrienden onder ons wellicht vreemd in de oren zal klinken (of – om met de woorden van mijn zusje te spreken – ‘Gadverdamme! Je gaat zo’n straatbeest toch niet aaien! Weet jij veel wat ie allemaal bij zich draagt!’). Maar wij weten, we zijn niet de enigen. Net zoals er een culinaire vakantiegroep bestaat en een club vakantiekoelkastmagneet-fetisjisten, zo is er ook de vakantiekatten-gang. Ieder gek zijn gebrek, zullen we maar zeggen.

Het probleem was echter dat we ondertussen al bijna twee dagen door Rome liepen en nog geen één kat hadden gespot. Niks. Nakkes. Nada. Nul.
Dat kon toch niet? Hier. Tussen al die ruïnes. Daar moest op zijn minst toch een paar snorharen te vinden zijn? Hoe zouden we anders naar huis moeten?

Totdat we erachter kwamen hoe dit kwam. Het was de schuld van de Torre Argentina Cat Sanctuary. Zij hadden namelijk 130 poezen en katten op een bijna geheime locatie verstopt en zijn al 20 jaar bezig om zoveel mogelijk ‘Roman Cats’ te steriliseren of van de straat te halen. Vandaar dat wij ons vakantiedoel niet konden behalen. Deze mensen deden hun werk gewoon te goed!

Gelukkig werd het tekort aan kattenknuffels deze vakantie in één klap goedgemaakt, toen we in de kattenopvang een half uurtje mochten doorbrengen in een ruimte met wel minstens 30 mauwende exemplaren. Dat het merendeel blind, doof, driepotig of anderszins een beetje ‘stumpert’ was, dat kon ons niet schelen. Het was alsof we als culinaire vakantieganger in een zaak met Michelinster zaten, op de meest instagram-waardige foto spot en met de grappigste koelkastmagneet in onze tas zaten bij te kletsen over alle toeristische hoogtepunten en meest authentieke ervaringen.

“En, wat was je hoogtepunt in Rome? De Sint Pieter, het Vaticaan, het Pantheon, het Colosseum?”
“Nou…”

ADHD

“Zou ik misschien ADHD hebben?”
“Jij? Hoezo?”
“Nou, van de week ging iemand met ADHD vertellen hoe haar hoofd er ongeveer uitziet aan de binnenkant en dat leek verdacht veel op hoe mijn hoofd eruit ziet.”
“Nou, volgens mij is met jouw hoofd anders niks aan de hand hoor.”
“Ja, maar ik had dus even zo’n lijstje opgezocht..”
“Van internet zeker.”
“Ja. Hoezo?”
“Nee. Niks. Vertel maar.”
“Nou, ik had dus zo’n lijstje van internet over kenmerken van ADHD en ik kon me dus écht in heel veel dingen herkennen.”
“Ja, schrijf een lijstje van 20 random dingen op en iederéén herkent zich wel in iets.”
“Hè, doe nou eens niet zo flauw!”
“Ok. Nou, vertel dan maar waarom jij ADHD zou hebben.”
“Nou, hier: ‘Is hyperactief in het hoofd, heeft veel gedachten tegelijkertijd, is altijd in de weer, snel afgeleid, snel ergens op uitgekeken, snel overprikkeld, heeft regelmatig stemmingswisselingen’…”
“…’is chaotisch, komt chronisch te laat, heeft moeite met discipline…” Ja, dat klinkt heel erg als jou ‘mevouwtje gedisciplineerde georganiseerde vroegkomer’.”
“Ok, ok, dat niet. Maar ik bedoel ‘is impulsief in het nemen van beslissingen’…hoe kun je dat nou negeren als je net binnen vierentwintig uur een huis hebt gekocht!”
“Hé, daar was ik ook bij hè! En ik geloof nou niet echt dat ik ADHD heb.”
“Nee, dat zou er nog eens bij moeten komen. Twee ADHD’ers in huis!”
“Maar jij hebt geen ADHD.”
“Oh nee? Waarom stond er vroeger op mijn rapport dan al bij de knutselwerkjes ‘Kan zich slecht concentreren en raffelt het af’?”
“Omdat je gewoon niet van knutselen houdt?”
“Dat is waar. Maar waarom ben ik in mijn hoofd dan altijd met honderd-en-een dingen tegelijk bezig?”
“Omdat je gewoon zo bent.”
“Hoe bedoel je ‘zo’? Wat voor een ‘zo’?”
“Nou, gewoon.”
“Gewoon wat?”
“Niks. Laat maar. Maar je bent in ieder geval niet vergeetachtig of een uitsteller en je loopt ook echt niet constant stuiterend door de kamer”
“Misschien ben ik wel een introverte ADHD’er. Een ADD’er. Die bestaan ook!”
“Weet je wat ik denk?”
“Nee.”
“Je bent geen ADHD’er. En ook geen ADD’er.”
“Oh, nee? En wat ben ik dan wel?”
“Gewoon. Een vrouw.”