Kansloze hippie

“Zouden jullie niet eens een betere auto willen?”
Vol ongeloof kijkt mijn zusje mij vanaf de achterbank in de achteruitkijkspiegel aan. Even kijken we elkaar aan en zie ik wat zij ziet. Hoor ik wat zij hoort. Het gepruttel, de kleine roestvlekjes, de deuren die niet automatisch op slot kunnen.

Daarna kijk ik opzij. Eén seconde is genoeg om te weten dat het antwoord naast mij hetzelfde klinkt als dat wat zonder nadenken uit mijn mond komt.
“Nee”

Nee. We hoeven geen betere auto. Nee, ook niet als deze het begeeft.
“Maar het is toch lekker een beetje meer luxe?”, proberen de ogen op de achterbank ons te overtuigen. “Voor een paar duizend euro heb je echt wel een hele mooie auto. Net zoals die van mij.”

Naast mij wordt het gaspedaal ingetrapt. Het gepruttel wordt luider overstemt de kansloze overtuigingsrede.

“Zou ze ons gekke hippies vinden?”, vraag ik als we thuis zijn.
“Eerder kansloze sloebers”, klinkt het op de tweedehands Klippan bank naast me.
Ik kijk naar de vlekken op de paarse bekleding. Dat krijg je als je zelf bankhoezen verft met kuipjes uit de wasmachine. Limited edition, noemen we het maar. Net zoals de eetkamerstoelen die allemaal hetzelfde maar toch net weer een tikje anders zijn.

Ik kijk de kamer rond. Van de oude tafel van mijn ouders naar het kastje van de kringloop. En van de DIY oudroze geverfde salontafeltjes met kringen erop tot het doffe imitatie-zilveren dienblad met het lege sodablikje en de neproosjes erin. Design voor dummies of ‘het-is-eigenlijk-gewoon-oud-maar-we-noemen-het-vintage’.

“Wat is eigenlijk het duurste wat we ooit samen hebben gekocht?”, vraag ik terwijl ik naar onze overgenomen parketvloer kijk. Donkerbruin zou nooit mijn eerste keuze geweest. En de kwaliteit laat ook wel wat te wensen over. Maar ach, nu we er alweer vier jaar zitten ben ik er eigenlijk wel aan gewend geraakt. Net zoals schrootjes aan de muren op de gang en grijze vloerbedekking op de trap en de overloop. Sommigen zouden ervan gruwelen, ik zie het echter niet meer. Het hoort nu eenmaal bij het huis en om nou geld te gaan spenderen aan nieuwe trapbekleding?

“Vliegtickets.”
“Wat?”
“Vliegtickets. Je vroeg waar we ooit het meeste geld aan uitgegeven hebben samen. Nou, dat waren vliegtickets.”

Ik zucht.
Stelletje hippies die we zijn. Stelletje kansloze onvolwassen pubers.
Terwijl om ons heen de koophuizen worden ingericht met loungebanken en complete serviessets, spenderen wij onze avonden op een stoffen IKEA tweezits en maken we ruzie om die ene lepel die van alle afwijkende exemplaren het lekkerst de havermout uit de pan schraapt. Om vervolgens in ons pruttelende koekblik naar Schiphol te rijden en daar in het vliegtuig te stappen naar God weet waar.

Ik kijk naar de schrootjes. En naar de reisfoto’s op het toilet.
Ik denk aan de vraag. En aan de ogen van mijn zusje.
En realiseer me dan de rijkste kansloze hippie te zijn die er is.

It’s all about the money

Geld.
Ik vind het maar een lastig iets. Je moet er niet teveel waarde aan hechten, maar feit is dat het een bepaalde waarde heeft. Het maakt niet gelukkig, maar (het gebrek eraan) vaak wel ongelukkig. Je kan er geen lang en gezond leven mee kopen, maar wel goede medische hulp. En hoe graag je soms ook zonder zou willen leven, uiteindelijk heeft iedereen het wel nodig.

“Ik geef niet om geld”, hoorde ik laatst iemand zeggen. Een mooie uitspraak. Nobel ook. Niet om geld geven in deze maatschappij is lastig. Want het bijna alles in deze wereld draait om geld. Het boeiende aan deze uitspraak is dan ook, dat deze vaak gedaan worden door mensen die het zich kunnen permitteren. Door mensen die de ruimte hebben om de inhoud van hun portemonnee niet leidend te laten zijn. Immers, als je genoeg geld hebt, dan hoef je er niet zoveel waarde aan te hechten. Wat maakt dan die ene duizend euro meer of minder nog uit? Het biedt de kans om je te richten op andere zaken. Qualitytime of mooie herinneringen. Die je uiteraard maakt aan de andere kant van de wereld, want als geld er niet toe doet, dan is zo’n vliegticket zo geboekt. Hoe onbelangrijker het is, des te harder het rolt.

Tenzij er weinig is om mee te rollen. Dan heb je niet de vrijheid om ervoor te kiezen geld niet belangrijk te vinden. Dan móet je er wel waarde aan hechten, want zonder geld geen eten, huis of andere eerste levensbehoeften. Hoe gelukkig je verder ook mag zijn, zonder eten en onderdak houdt je geluk snel op.

En dat vind ik ook meteen het lastige aan de hele kwestie: dat het uiteindelijk allemaal begint met geld. En het daar vaak ook bij op lijkt te houden. Niet dat ik niet vind dat er dingen zijn die in al hun essentie veel belangrijker zijn. Want dat vind ik juist wel. Mede daarom is het zo lastig dat geld vaak zo’n grote rol speelt en dat er op veel vlakken meer waarde aan wordt gehecht dan eigenlijk zou moeten. Het is een vicieuze cirkel waaruit het moeilijk ontsnappen is.

Geld bepaalt waardes. Het bepaalt rangen en standen. Maakt onderscheid. Drukt een stempel. Ben je rijk of ben je arm? Heb je een hoog- of heb je een laagbetaalde baan? Ben je succesvol of ben je een loser? Draag je dure merken of naamloze vodden? Hoor je erbij of juist niet?

En als je dan zou mogen kiezen: Ben je dan liever rijk of gelukkig? Naar het antwoord hoef je bij veel mensen vast niet te gissen. Uiteindelijk streeft iedereen toch naar geluk. Met of zonder dikke portemonnee. Maar waarom laten we ons in ons geluk dan zo vaak leiden door geld? Omdat we echt niet zonder kunnen? Of omdat we denken dat we niet zonder kunnen? Of in ieder geval denken niet met minder te kunnen. Less is more wordt vaak gezegd. In de praktijk zijn we echter vaak nog steeds geneigd om te kiezen voor More is more. Of more is even better.

Maar wat als we nou besluiten dat we de basiswaarde van geld wel erkennen, maar daarnaast ook beseffen dat geld niet alles is? Dat we de keuze hebben om geld zo belangrijk te laten zijn als dat het nodig is? En niet meer dan dat? Klinkt simpel, klinkt logisch, maar is een redenatie die in de praktijk nog vaak vergeten wordt. Kiezen voor een onbetaalde versus een betaalde opdracht omdat je die onbetaalde opdracht leuker vindt blijft ergens toch wel een taboe. Net zoals minder werken omdat je meer vrije tijd wilt. Of je vrijstaande huis verruilen voor een klein appartement. Gewoon, omdat dat je gelukkiger maakt.

Maar ja, dan begin je weer van voor af aan. Want is die keuze om het met minder te doen niet ook gewoon een luxepositie? Een teken dat laat zien dat we het ons hier kunnen permitteren om te kiezen voor geluk in plaats van geld? Wat wat als je nou minder zou willen werken, maar dit om financiële redenen juist niet kan? En je juist blij mag zijn dat je net aan de huur kan betalen van dat kleine appartement?

Ik denk, ik schrijf en kom er niet uit. Die cijfers en nullen zijn zo verweven met alles wat we doen en laten, dat ontsnappen aan die cirkel haast onmogelijk is. Ik wil er minder om geven, maar er geen waarde aan hechten is eigenlijk onmogelijk. Want in the end – hoe erg ik het ook vind –  is het voor het grootste deel in deze wereld toch ‘all about the money’. Het is alleen zo verdomde jammer dat het geluksdubbeltje uiteindelijk nergens te koop is.

lucky-penny-one-dollar