Een kind is geen kat

“Zou je dat nou wel doen?”

Het is een jaar geleden. Aan de telefoon heb ik mijn moeder. Ze klinkt duidelijk niet gerust op hetgeen dat ik op het punt sta te gaan doen.

“Het is wel een hele verantwoordelijkheid hoor. Heb je er wel goed over na gedacht? Ik bedoel, je moet het natuurlijk zelf weten, maar ik weet niet of dit nou zo’n goed besluit is.”

Met een zucht zet ik de kattenmand neer. Zou Panda liever daar in de hoek willen liggen of liever bij de verwarming slapen? Het is natuurlijk al een oud baasje, dus wat warmte is misschien wel lekker. Ben wel benieuwd of hij die krabpaal echt gaat gebruiken. Ach, maakt niet uit, we zullen wel zien.

Ondertussen ratelt mijn moeder ongerust verder. Of ik wel weet dat we nu niet zomaar meer een weekend weg kunnen. En dat zo’n beestje ook vast wel wat kost. “En wat als ie ineens naar de dierenarts moet? Straks krijg je nog vlooien in huis!”

“Mam, heus niet iedere kat heeft vlooien hoor!”, zeg ik – lichtelijk geïrriteerd – terwijl ik wat speeltjes in de mand gooi. Een pluchen muis en een soort stuiterbal met een belletje. Vindt zo’n beest dat eigenlijk wel leuk, zo’n irritant belletje? Hadden ze er niet beter een schattig vogeltjesgeluid in kunnen bouwen? Dat werkt toch veel beter?

“Weet je zeker dat je niet te overhaast beslist hebt? Ik vind het nogal wat om zo impulsief een oude kat in huis te halen. Straks mankeert ie vanalles en zit jij eraan vast!”

Net zoals bij een kind.
Wil ik eigenlijk zeggen.
Maar dat doe ik niet.
Je moet immers altijd uitkijken om je niet per ongeluk op het gladde pad van ‘kind in vergelijking met huisdier’ te bevinden. Dat is wat je noemt een ‘no-go-vergelijking’. Een kind is geen kat. En dat is maar goed ook. Ik bedoel, anders had  ik in plaats van een kat immers ook ‘gewoon’ een kind kunnen nemen. Toch?

En toch kan ik de stiekeme gedachte niet onderdrukken. Want wat áls ik mijn moeder had gebeld met het bericht dat ik niet een kat maar een kind zou krijgen. Hoe zou ze dan hebben gereageerd? Vast niet met als eerste reactie “Weet je dat wel zeker?” of “Enig idee hoeveel verantwoordelijkheid zoiets met je meedraagt? Een spontaan weekendje weg zit er nu niet zomaar in hoor!”

Nee, mijn moeder zou lyrisch zijn. Buitengewoon verbaasd uitzinnig. Niks geen vragen over kosten, stapels luiers of waterpokdrama’s. Ja, slapeloze nachten, die zijn wel vervelend. Maar kind, kind, je krijgt er zóveel voor terug!

Inmiddels zijn we een jaar verder. Naast mij ligt een bolletje pluis tevreden slapen te op de bank. Een kleine kotsbui is opgeruimd. Het mandje dat ik had gekocht is niet meer in gebruik. Net zoals die onaangeraakte krabpaal. Gisteren moesten we onverwachts even naar de dierenarts. Wellicht iets van een vlooienallergie. Glimlachend denk ik terug aan het telefoongesprek met mijn moeder. Een beetje gelijk had ze wel. Zo’n kat is een hele verantwoordelijkheid. Maar jongens, geloof mij, je krijgt er zóveel voor terug!

20140903_151113

Lalala later zul je lachen!

2014-01-31 14.05.40‘La la la later zul je lachen, om die dingen, ook al zak je nu het liefste door de grond.
Al zit je zwaar in de puree, dan valt het achteraf wel mee.
Zo erg is het dan niet meer en voor je het weet zit er alweer een hele mooie nieuwe glimlach om je mond. Onthoud maar goed, lachen is gezond!’

Ken je dat gevoel? Dat iets zo gruwelijk mis gaat dat je niets anders kunt dan er gewoon keihard en gruwelijk luid om lachen? Zo’n moment dat de tranen je in de ogen zouden moeten springen, je stampvoetend boos zou moeten zijn, maar niets anders kunt dan flauwe grappen maken en overal een Kinderen voor Kinderen liedje in zien (en die liedjes dan ook zingen!)?
Ok, dat laatste gaat sommige een beetje te ver. Maar het geeft wel goed weer hoe ik gisteravond laat in de trein van Maastricht terug naar huis zat.

Het zal je immers maar gebeuren. Dat je gezamenlijke vakantie, die met 4 dagen al niet bijster lang te noemen was, nog een dagje ingekort wordt omdat je vriend de sleutels van de bus ineens niet meer kan vinden. En dan ook niet de sleutels van jullie bus (natúúrlijk niet!). Maar de bus van een vriend. Die jullie mochten lenen. Om gezellig een paar dagen bij oma te logeren. En vanaf daar leuke dagjes weg te gaan. Zoals naar Maastricht. Sjoen Mestreech. Waar je goed kunt eten en drinken. Én blijkbaar ook goed spoorloos sleutels kwijt kunt raken.

Nee, lachen kon ik niet meteen toen vriend na het afrekenen van het eten vroeg: ‘Ehm…heb jij toevallig de sleutel van de bus?’ Al was het alleen maar omdat we over een half uurtje naar de film zouden gaan. Of omdat het regende en ik weinig zin had om kletsnat door heel Maastricht te sjouwen op zoek naar een verloren sleutel. Helemaal aangezien ik wegens een blessure op dit moment al moeilijker loop dan mijn ouders na vier dagen Heuvellandvierdaagse. Ik wilde droog, zitten, in een bioscoopstoel en me niet hoeven te bedenken hoe we in vredesnaam zonder vervoer terug naar oma moesten komen, aangezien haar huis nou niet echt op de meest gereden route van het OV ligt.

Maar goed, wat moet dat moet. De sleutel moest gezocht, dus splitsten we ons op rende vriend links en hobbelde ik rechts op zoek naar de lach achter de grap. De lach achter de grap die uiteindelijk geen grap bleek te zijn: de sleutel was namelijk echt weg. Foetsie. Verschwunden. Opgelost tussen de vele stukken vlaai en de fijne bollekes bier. Om over de Limburgse heuvels nog maar te zwijgen.

Tja, en daar zit je dan. Druppend op een Mestreechs terras. Met een bus op de parkeerplaats, al je spullen bij oma en de reservesleutel thuis, zo’n 2,5 uur verderop. Een beetje mens zou zichzelf voor zijn kop slaan. Ik kon alleen maar denken: ‘Hebben wij weer!’ Glimlachend, grinnikend, hoofdschuddend. Jut en Jul gaan ook een keertje op vakantie! Zelfs vier dagen Limburg is blijkbaar al teveel gevraagd!

Gelukkig kon de vriend van de bus er ook hartelijk om lachen. Hij beloofde de reservesleutel bij ons door de bus te gooien, wat voor ons betekende dat er eigenlijk niets anders opzat dan de trein terug naar huis te pakken en oma te bellen dat ze haar sigaretjes vanavond zonder ons moest roken.

Ja, en in de trein terug naar huis gebeurde het. Een bui die niet gepast was bij het ‘leed’ dat ons zojuist was overkomen, maar die ik zo hard voelde aankomen dat ik het niet tegen kon houden: Ik werd melig. En niet zomaar melig. Nee, meligheid op het hysterische en flauwe af. Meligheid die alleen op komt zetten als er eigenlijk niets om te lachen is. Wat de ander uiteraard ook vindt. Maar waar ik me op dat moment niet door tegen kan laten houden.
En nu is zo’n bui op zich niet eens zo erg. Ware het niet dat zo’n bui bij mij vrijwel altijd gepaard gaat met het ‘openspringen’ van een waardeloze hersencel waar allemaal Kinderen voor Kinderen liedjes in opgeslagen liggen. Vraag me niet hoe, wat of waarom. Het enige dat ik weet is dat het gebeurt. Gewoon, omdat die liedjes in zulke situaties altijd precíes verwoorden waar het allemaal om draait.

Dus, terwijl we buiten het raam geen komische bioscoopfilm, maar het Limburgse landschap aan ons voorbij zagen razen, begon ik zachtjes te zingen: ‘Lalala later zul je lachen, om die dingen, ook al zak je nu het liefste door de grond’. Dat vriendje mij op dat moment het liefste de nek om wilde draaien en ook de rest van de trein mij wat meewarrig aankeek kon mij inmiddels weinig meer schelen. Onze vakantie was gestrand, ik was strompelend gestrand; het enige wat mij restte was lachen en zingen en dat deed ik dus. Uit volle borst. In een volle trein. Nog net een lachsalvo onderdrukkend toen ik besefte dat ook ons dekbed met kussens nog in de bus lagen en we thuis dus alsnog in ons eigen bed moesten kamperen. Om het nog maar niet te hebben over het feit dat vriendje de volgende dag natuurlijk dezelfde weg terug moest treinen om met de reserversleutel alsnog de bus op te halen en alle spullen bij oma. Achja, shit happens. Maar wat er ook gebeurt: wij trappen er niet in!

‘Lalala later zul je lachen!’

Een prikkelbaar nachtje

Het is woensdagnacht 4:00 uur. Terwijl ik heerlijk in een diepe slaap verzonken ben en droom over palmbomen en witte stranden, kruipt mijn vriend naast mij uit bed. Half wakker wordend trekt ik slaperig één oog open. Ik gaap, draai me om en denk, vlak voordat ik verder ga met het zoeken naar kokosnoten,  ‘Meneer zal wel even moeten plassen.’

Maar meneer moet niet plassen. In plaats van dat hij de trap afloopt naar beneden doet hij het raam open en staart naar buiten. De frisse lucht van buiten laat mijn palmbomendroom vervliegen.

“Wat doe je?” vraag ik.
“Kijken wat voor hijgende hond ik al de hele tijd hoor.”
“Hijgende hond? Waar heb je het over? Doe dat raam dicht en kom terug naar bed!”
“Nee, luister dan! Zie! Hoor je?”
“Ik hoor niks. In ieder geval geen hijgende hond.”
“Nee? En wat is het volgens jou dan wel?”
“Ja, weet ik veel. Iemand die staat te schuren ofzo. Kan me niet schelen. Ik wil terug naar mijn palmbomen, dus doe dat raam dicht en kom terug in bed.”
“Ok, ok.”

Stilte.

Kgggghh. Kgggghhh. Kggggghhh. Kgggghhhh.

“Zie je wel! Er is echt iets buiten! Ik ben toch niet gek!”
“Ja ja, ok ok, je hebt gelijk. Maar het is géén hond!”

Kgggghh. Kgggghhh. Kggggghhh. Kgggghhhh.

“Zou er iemand aan het inbreken zijn? Met een vijl ofzo?”
“Nee joh, dan had ie ons nu toch allang gehoord?”
“Roep anders eens.”
“Waarom?”
“Nou, om hem weg te jagen natuurlijk!”
“Hé! Hou op!”

Stilte.

Kgggghh. Kgggghhh. Kggggghhh. Kgggghhhh.

“Ok, ik ben er klaar mee! Ik ga kijken!”
“In je onderbroek?”
“Ja, kan mij het schelen. Het is 4:00 ’s nachts en er staat een hijgende hond onze deur te schuren of te vijlen. Ik wil dattie ophoudt.”
“Doe je wel voorzichtig?”

Kgggghh. Kgggghhh. Kggggghhh. Kgggghhhh.

Terwijl ik buiten uit het raam staar, trippelt vriend trippelt in zijn onderbroek naar beneden.

“Zie je al iets?”
“Nee nog niet. Of wacht, daar!”
“Waar?”
“Daar! Bij de tuinstoelen!”
“Wat is het?”
“Een kevel!”
“Een kever?”
“Nee, een egel! Het is een egel!”

Kgggghh. Kgggghhh. Kggggghhh. Kgggghhhh.

Moraal van dit verhaal:
Lieve mensen, als je midden in de nacht het geluid van een hijgende schuurmachine hoort, dan is dat geen hond of een inbreker, maar gewoon een geile egel die graag even met je wil flirten.