Snel internet

“Bier? Dat is net zoiets als seks. Daar moete ge doen, niet over praten.”
Terwijl ik met mijn fiets de tuin in kom rijden hoor ik mijn vriend binnen lachen. De harde stem lijkt zich niet of nauwelijks van mijn aanwezigheid bewust en praat luid en duidelijk verder.
“Ja heel leuk zo’n bierproeverij. Maar als ge interessant gaat lopen doen dan bende ge gewoon een alcoholist. Met je bittere afdronk geneuzel. Zuuplappen, dat zijn het.”

‘Bas uit Wamel’ staat vol wijdbeens vertrouwen bij onze eettafel. In zijn handen een boormachine geklemd waarmee hij zojuist onze nieuwe router heeft geïnstalleerd. Hoewel het werk klaar lijkt te zijn, is Bas dat met zijn licht Brabantse tongval duidelijk nog niet.

“Ja, ik ben wat vroeger dan gepland. Bietje doorwerken hè. Al die collega’s van mij doen zo’n 5 adresjes op een dag. Ik doe er een stuk of 12. Of 14 als ik ‘ne goeie dag heb. Ze roepen op het hoofdkantoor al dat ze geen reistijd meer voor me in hoeven te plannen. Allemaal Turken daar hè! Witte wat ik dan zeg? ‘Ginne reistijd? Ik zal voor jou wat reistijd inplannen. Terug naar je land!’ Ja, daar kenne ze wel om lachen. Is ook goed hè. Bietje lol met je collega’s. Al genoeg gezeik met de klanten waar ik langskom. Verkeerd voorgelicht. Teveel verwachtingen. Dat moete ge niet mee naar huis nemen hè. Daar word ik niet blij van, maar moeders de vrouw ook niet!”

Net op het punt dat ik boven mijn sporttas sta uit te pakken en me afvraag hoe ‘onze Bas’ het voor elkaar krijgt om zoveel adressen op een dag langs te gaan, hoor ik zijn antwoord de trap al op denderen.

“Wie hard werkt moet hard rijden. Ja, da gelove ze vaak nie. Dat je in Nederland ook nog prima 200 kan rijden. Vanochtend nog een klant zo van ‘je kan ook nergens in Nederland een bietje doorrijden.’ Nou, ik kan je verzekeren, er gaat geen dag voorbij dat ik de 200 niet aantik hoor! Met een vriend als Flitsmeister lukt dat prima. Nie altijd overigens hoor. Ohnee. Och man. Al die provinciale wegen! Alles best hoor, maar als ze me maar nie zo’n cursus geven. Doe dan maar een extra boete. Of twee. Maar niet dat geneuzel op die cursus. Wat een onzin! En het helpt nie hoor! Ik bedoel, te hard rijden doe ik toch wel weer.”

Fris gedoucht beneden krijg ik nog net mee hoe Bas vol bravoure het verhaal over zijn tijdelijk ingenomen rijbewijs afrondt. Een fout van zijn broertje. Die met een auto op zijn naam ook wel eens de 200 wilde aantikken. Goed voorbeeld doet volgen, denk ik maar. Nog steeds met de boormachine in zijn hand kijkt hij de kamer rond.

“Jullie hebben geen tv? Wel jammer dat jullie geen witte muur hebben. Dan hadde ge een beamer kunnen aansluiten. Mooi man! Heb ik ook! Wilde een grotere tv kopen, maar man die dingen kosten tweeduuzend euro! Gelukkig kwam toen een buurman langs die wat geld nodig had en een beamer te koop. Nou, da was precies op het goeie moment dus. Hij van de deurwaarder af en ik een eigen thuisbioscoop. Haske mooi joh! Beter dan naar zo’n zwart scherm van tweeduuzend euro turen terwijl er niks op is.”

Dan. Ineens. Als door een wesp gestoken. Moet Bas er toch wel weer echt vandoor. Terug naar Wamel. Want hoewel hij ruim een uur eerder klaar is dan gepland, zit ‘moeder de vrouw’ inmiddels al wel thuis op hem te wachten.

“Eens effekes kijken hoe ver het naar huis is. Half uurtje? Maak daar maar een kwartier van.”

Toeterend rijdt Bas de straat uit. Ik zwaai. En hoop maar dat het internet net zo snel is als zijn ritje terug naar huis.

Snelheidsmeter

Hatsjoe!

Niks erger dan ziek zijn. Of nee. Herstel. Niks erger dan verkouden zijn (immers, niks erger dan mensen die ziek zijn en verkouden zijn door elkaar halen. Koorts is ziek. En anders, niet piepen, maar je neus snuiten – zo leerden wij dat vroeger thuis in ieder geval).

Dus. Niks erger dan verkouden zijn. Maar dan niet zomaar verkouden. Maar snótverkouden (of snipverkouden – snot of snip dat is me dan weer om het even). Zo’n verkoudheid die langzaam maar zeker bezit neemt van je lijf. Zo’n verkoudheid waarbij de contouren van je neus worden gemarkeerd door rafelige schilfers. Zo’n verkoudheid waarbij de randen van je ogen rood zijn van de tranen, en van de vermoeidheid van steeds weer een nies die zich opdringerig een weg naar buiten probeert te banen. Zo’n nies die je hoofd laat ontploffen. Omdat deze vol zit. Met snot. Snot dat zich op miraculeuze wijze zelfs een weg weet te banen in je spieren. Die net zo vol en zwaar en stijf voelen als na het volbrengen van een triatlon. Een hele.

En het erge is. Je kunt er niks aan doen. Ja, je probeert het natuurlijk wel. Bij die eerste kriebel. Dat eerste scheermesje in je keel. Een extra kiwi. Een glas met lauw zout water (niet om te drinken. Om te gorgelen. Met je neus dicht geknepen – als je dat per ongeluk niet doet weet je waarom). Maar natuurlijk helpt het allemaal niets. Het virus zit in je lijf en het bevalt hem daar wel. En voor je er erg in hebt, ben je veranderd van een energiek daadkrachtig veerkrachtig persoon in een hoopje lamlendigheid en ellende.

‘Ik heb geen tijd om ziek te zijn’, probeer je eerst nog heel recalcitrant. Maar hoe harder je het virus negeert, hoe harder het uiteraard terugslaat. En natuurlijk is het sterker dan jij. Wat dacht je dan? En terwijl het virus sterker wordt, beland jij in een positie waarbij er niks anders op zit dan je over te geven aan de bank, een extra vest en een ultramarathon ‘Ik vertrek’ (niks fijner dan leedvermaak om aan je eigen malaise te ontsnappen).

Het gekke is, dat deze positie een positie is waar je normaal gesproken best wel eens van droomt. Als je geen zin hebt in school, werk, stomme klusjes, e-mails van irritante mensen die er allemaal niks van snappen. Op zulke momenten lijkt er geen ultiemer geluk te bestaan dan ‘even helemaal niks’ en twee mensen die in Zuid Frankrijk een camping beginnen zonder ook maar één woord Frans te spreken (waarom, waarom, pourquoi?)
Maar ja, niet alle dromen die werkelijkheid worden zijn even mooi. En net zoals die twee mensen op die vervallen camping in Frankrijk met een gat van twintigduizend euro in hun budget zich afvragen waar ze ‘in godsnaam aan begonnen zijn’, vraag jij je af waarom je in godsnaam ooit wenste om een héle dag op de bank te spenderen. Nee, dan liever een leeg hoofd en een volle inbox met mails van irritante mensen die er allemaal niks van snappen.

Het allerergste is misschien wel, dat ondanks jouw lamlendige leed, de wereld gewoon door gaat. Met allemaal fitte, vrolijke mensen, zonder schilfer-neuzen en jank-ogen. Hoe miserabeler jij je voelt, hoe leuker iedereen het lijkt te hebben. Want natuurlijk zijn alle beelden op social media een afspiegeling van de werkelijkheid. En ben jij nu het uitschot van een maatschappij waar iedereen een groots, meeslepend en spannend weekend viert. Met je dekentje. Op de bank. Waarbij het hoogtepunt bestaat uit het moment dat die ene nies ein-de-lijk uit je neus ontploft (hetzij met een beetje hulp van een papieren zakdoekje waarmee je jezelf zojuist in je neus hebt gekriebeld – het moment van lamlendige schaamte ben je inmiddels al voorbij en, what the heck, deze methode helpt, dus waarom zou je het niet doen?)

Nee. Verkouden zijn en incasseren. Dat gaat niet zo goed samen. Ik word er opstandig van (voor zover dat gaat) en sacherijnig. Wat overigens niets helpt. Net zoals die klote kiwi’s die zogenaamd vol met vitamines zouden moeten zitten maar %$#& helemaal niks helpen! Dus.

Geef je je over. Aan het virus. En de lamlendigheid. Pak je toch nog maar een kiwi. Gorgel je nog wat. Kijk je nog even naar al die perfecte mensen op social media en kriebelt er dan een nies uit, zo hard, dat je hoopt dat de bacteriën de moed opgeven en denken ‘What the heck, ik vertrek!’

10-dingen-die-je-nog-niet-wist-over-verkoudheid-5118

Het leven is tomatensap

Het leven zit vol verwondering. Het is mooi, vreemd, apart, verbazingwekkend. Vaak sta ik er niet bij stil, maar er zijn van die momenten dat het me ‘overvalt’ en ik me oprecht kan afvragen hoe of waarom bepaalde dingen zo zijn.

Nu klinkt dit heel filosofisch en zal ik ook zeker niet ontkennen dat ik ook me wel eens heb gebogen over vragen als ‘waar komen we eigenlijk vandaan’ en ‘waar gaan we eigenlijk naartoe’. Liever houd ik me echter bezig met ‘nutteloze filosofie’. Vraagstukken die van geen enkele betekenis zijn en weinig invloed hebben op wat dan ook, maar me tóch intrigeren.

Want mensen, hoe kómt het toch dat er in een vliegtuig altijd zoveel tomatensap wordt gedronken? Wat is dat toch met mensen die in de lucht zweven en ineens een dringende behoefte krijgen aan een glaasje rood tomatendrap? Niet dat ik nou wekelijks (of zelfs maandelijks) vlieg. Maar toch, iedere vlucht weer valt het me op. Zodra de beentjes in de lucht zijn, is het rode goedje niet aan te slepen. Terwijl ik in een bar of een café nóóit mensen tomatensap zie bestellen! Dat is toch vreemd? Is tomatensap goed voor de druk op je oren? Smaakt het alleen lekker als je boven een bepaald aantal hoogtemeters komt? Of is het alleen te pruimen als het ingeschonken wordt door een sexy stewardess? Oh, de vragen des levens!

In een andere categorie intrigerende zaken: het total spotlight wegennetwerk van België. Ook hier geldt; ik kom er niet wekelijks of maandelijks, maar áls ik er kom, kan ik er toch maar niet over uit: al die verlichting! En dan in combinatie met dat slechte wegdek! Je zou toch zeggen dat als ze de helft minder lampen hadden ingekocht, ze de helft meer geld zouden hebben om de helft minder kuilen in de weg te laten zitten? Ik kan me in ieder geval niet voorstellen dat ze zó trots zijn op hun wegen dat ze deze kosten wat kost in de schijnwerpers willen zetten. ‘Ha Fonske! Ik zie hier nog een gaatske…kende gij daar nog effekes een extra lampke op laten schijnen?’ Er zullen immers maar een paar maanmannekes zijn die België niet op de aardbol weten te vinden.

Tja, waarom zijn de bananen krom? Geef mij liever een antwoord op de vraag waarom wolken er in de verte uit zien alsof je er heerlijk op kunt liggen en lopen (de troetelbeertjes konden het!), maar van dichtbij niet meer zijn dan mistige samenscholingen van regendruppels (het zou verboden moeten worden!)
Of hoe denkbeeldige lijnen op de aardbol ervoor zorgen dat mensen aan de ene kant van het lijntje Frans en aan de andere kan van het lijntje Spaans spreken. Terwijl je die lijn in het echt niet eens kan zien!
Nog maar te zwijgen over hóe al die talen ooit zijn ontstaan. Wie hebben dat verzonnen? En hoe kwam het dat we het niet gewoon lekker makkelijk bij één taal hebben gehouden? Of gaat dat net zoals bij het fluisterspelletje waarbij je een zin aan iemand door moeten geven en er uiteindelijk iets heel anders uit komt (‘Tim pakt een kletskoek uit de boektrommel?’) Hoe meer mensen er kwamen en hoe verspreider ze gingen wonen, des te meer wartaal als nieuwe norm werd aangenomen en uiteindelijk de status ‘officiële taal’ mocht krijgen.

Nu zullen op bovenstaande vragen vast heel plausibele antwoorden te vinden zijn. Of zelfs wetenschappelijk bewezen antwoorden. Maar soms is het fijn om gewoon even in je filosofische verwonderbui te blijven hangen en je te realiseren dat het antwoord niet altijd even bevredigend is als de vraag. Zelfs niet als er een spotlight op staat. Want alleen door vanaf de maan de te kuilen kunnen zien, realiseer je je dat het leven soms gewoon een beetje el jugo de tomate is.

1411573001319bloody mary