Doe mij maar een vogelhuis

“Het is toch eigenlijk belachelijk dat we niet eens goedkoper mógen wonen? Alsof iedereen al zijn salaris alleen maar uit wil geven aan een steeds groter en duurder wordend huis. Misschien wil ik mijn geld wel aan iets heel anders uitgeven.”

Ik leg de folder van de woningstichting op tafel. Met getekende poppetjes staat vrolijk aangegeven welke woning er bij jouw gezinssituatie en inkomen past. Volgens de tekening zitten we goed. Volgens de woningstichting zitten we scheef. En volgens ons zitten we te duur.

“Kijk, ik begrijp heus wel het idee erachter en dat sociale huur is bedoeld om ervoor te zorgen dat iederéén een passende woning krijgt toegewezen. Maar is het eigenlijk niet gek dat wij, met z’n tweeën, in een ruime gezinswoning zitten en ergens anders een heel gezin in een klein appartementje vertoeft? En waarom zou je er überhaupt niet voor mogen kiezen om in plaats van groter ook kleiner te gaan wonen? Dat is toch gek!”

“Omdat je nou eenmaal een dertiger bent en het algemene beeld is dat je carrière maakt en met dat geld groter gaat worden en je gezin gaat uitbreiden. Huisje, boompje, beestje, weet je wel.”

“Nou, maak daar maar huisje, beestje, reisje van. Met nadruk op huisJE. Oh, en heel veel reisjes. Kan zo’n woningstichting niet gewoon eens investeren in een wijk vol tiny houses? Dat is hartstikke hip, duurzaam en ziet er nog leuk uit ook. Ik wil best in een kartonnen huis of een zeecontainer wonen hoor. Of in een reuzen vogelhuisje voor mijn part.”

“Ja, jij wel. Maar de woningbouw wil denk ik liever verdienen aan standaardwoningen en standaardmensen.”

“En ik ben niet standaard?”

“Nou, ik ken niet heel veel mensen die in een vogelhuisje willen wonen nee.”

“Nou, in het kader van ‘huisje, boompje, beestje’ klinkt zo’n vogelhuisje anders als de perfecte oplossing.”

“Kun je mooi het geld dat je overhoudt investeren in een vogelpak.”

“Nou, ik dacht meer aan vleugels.”

“Levert wel een mooie tekening op voor de folder van de woningstichting.”

“Twee poppetjes met vleugels en een vogelhuis. Waar kan ik tekenen?”

Stralen als Jeroen van der Boom

‘Noem me maar gewoon Jeroen van der Boom’

Daan kijkt mij met stralende ogen aan. Ik moet toegeven dat hij zijn best heeft gedaan. De kleding, het haar…het klopt allemaal.

‘Kijk, ik heb zelfs op de poses van Jeroen geoefend!’

Stoer steekt Daan zijn handen in zijn zakken, gaat een tikkeltje nonchalant staan en houdt zijn hoofd schuin opzij. ‘Sprekend!’, zeg ik. En ik beloof hem strakjes aan te kondigen zoals hij dat graag wil.

Ondertussen wordt op het podium druk geoefend. Een groep van 6 meiden met lila shirts en roze boa’s zingt uit volle borst mee met de Hazes versie van ‘Een glimlach van een kind’. Achteraan de groep staat één jongen. Met de boa om zijn nek gedrapeerd staart hij gefascineerd naar boven, naar het schouwspel van het veranderende theaterlicht. Hij wiegt mee met de muziek maar zijn hoofd is ergens anders.’Ja, hij is soms nogal onbereikbaar’, zegt de begeleidster van de groep. Ik kan er alleen maar naar kijken en glimlachen.

Ook in de zaal is het één groot feest. En dan te beseffen dat dit pas de generale repetitie is. Er wordt geklapt, gejuicht, gelachen, gehuild. Niemand houdt zich in. Zowel op als naast het podium. Alles is puur en oprecht. Valse noten deren niet en om de synchroniteit van de danspasjes maakt niemand zich druk. Iedere deelnemer wordt na zijn of haar optreden van het podium onthaald als een echte artiest. De knuffels en handkusjes zijn niet van de lucht. Het is als een grote muzikale groepshug.

‘Soms heb ik er wel een beetje moeite mee hoor’, zegt de moeder van Daan. ‘Ik weet hoe leuk hij het vindt en hoeveel plezier hij eraan beleeft, maar ik kan toch niet ontkennen dat het soms een beetje voelt als aapjes kijken.’

Terwijl op het podium Eva een beetje schuchter en act opvoert compleet in Star Wars pak, kijk ik de moeder van Daan aan. Ik begrijp wat ze bedoelt en kan me voorstellen dat ze de tegenstrijdig herkent. De pijn dat jouw kind niet is zoals alle anderen. De vreugde om te zien hoeveel plezier je kind aan iets beleeft. Maar ook de schaamte. De volle uitbundigheid die wel eens als lachwekkend zou kunnen worden ervaren. Die in de ‘gewone’ wereld ook als lachwekkend zou worden bestempeld. Als belachelijk misschien.

Maar vandaag is niet de gewone wereld. Vandaag is hún wereld. Een wereld vol boa’s, glitters, spotlights en prijzen. Een wereld waarin zij de ster zijn en iedereen winnaar. Een wereld waarin zij binnen de theatermuren de standaard zijn en wij de buitenstaanders. De ‘gewone’ mens die zou willen dat ze ook zo onbegrensd en vol plezier zou durven doen waar ze plezier in heeft. Want als iemand dat kan, dan zijn zij het.

Het zaallicht gaat uit. De podiumlampen gaan aan.
Vandaag is niet gewoon. Vandaag is speciaal.
Vandaag is Daan Jeroen van der Boom.

Helikopteren

“Hé sis! Wil je morgen weer samen sporten, bij mij eten en dan Oh Oh kijken?”

Shit! Ik ben erbij! Ik kijk naar het appje en weet dat zij weet wat ik weet. Ik had nog zo mijn best gedaan om het met behulp van afkeurende kreten niet zo te laten lijken, maar uiteraard was dit niet voldoende. Uiteraard spraken mijn ogen boekdelen. En dat weet ze.

Ze weet het.
Ik vind het stiekem leuk.

“Ok, is goed”, app ik terug, “als je maar niet gaat helikopteren.”

Helikopteren (voor de onwetenden onder ons: met je piemel uit je broek rondslingeren in de hoop dat ie groot genoeg is zodat je ermee kan opstijgen). Misschien is dat wel waar mijn fascinatie vorige week begon. De jongen die de desbetreffende hobby benoemde, had namelijk aan zijn moeder beloofd dat dit het enige was dat hij niet in het openbaar zou doen. Gelukkig had onze helikoptervriend nog genoeg andere hobby’s achter de hand om het televisiepubliek de ogen uit te laten kijken. Ik geloof in ieder geval dat zijn moeder achteraf gezien misschien wel liever gewoon had gezien dat hij al zwaffelend op tv zijn vliegbrevet had behaald. Dan had ze in ieder geval nog een hoogvlieger gebaard.

Gelukkig kan oma wél vol trots terugkijken op een eerste uitzending. Want als het eerste wat je kleinzoon doet als hij in een riante villa op Mallorca is aangekomen zijn oma bellen is, dan heb je het toch maar goed gedaan. “Mijn oma is mijn allessie”, aldus Damian. Om vervolgens meteen vol trots te vertellen over de twee vaste vriendinnen die hij regelmatig ‘saust’. U begrijpt, de chips met salsadip die mijn zusje voor de gelegenheid op tafel had gezet heb ik maar wijselijk laten staan. En ik had nooit kunnen denken dat ik ooit nog terug zou verlangen naar het good old recht toe recht aan woord ‘neuken’. Maar misschien komt dat omdat ik voor dat hippe saus-gedoe wel te oud ben inmiddels.

Of, zeg maar gerust, bejaard. Want als je als vrouw de vijfentwintig hebt bereikt, dan ben je in Oh Oh termen ook wel echt afgeschreven. Ik bedoel, als jij niet gewoon knetterlam plezier kan beleven aan een avond zoenen met mensen die je niet of nauwelijks kent en daarna over de grond rollen van het lachen als je niet meer op je eigen benen kan staan, dan kun je net zo goed meteen met een rollator in een hoekje gaan staan.

“Ja maar ik had niet gedacht dat er zoveel gedronken zou worden!”
Ok, ik moet toegeven dat ik bij deze uitspraak ook stiekem in de lach schoot en dacht: Wat had je dan verwacht?! Het is juist de bedoeling dat jullie te veel drinken! Dat is waar het programma voor is bedoeld. Dat is wat het publiek wil!

Toch?

Terwijl ik van de ene verbijsterende verbazing in de ander val en meerdere malen denk dat ze het programma ook wel ‘Oh Oh OH MY GOD!’ hadden kunnen noemen, moet ik toegeven dat ik toch wel een soort van gefascineerd ben. Aan de ene kant omdat ik me afvraag in hoeverre dit echt is. En aan de andere kant waarom ik niet kan stoppen met naar dit tafereel te kijken. Als ik het niet had gezien had ik er niets aan gemist. Maar nu voel ik me een soort van David Attenborough die alles wil weten over dit bijzondere ras en zich gebiologeerd blijft afvragen hoe je als toekomstig masterstudente denkt ooit bij de FBI te kunnen gaan werken als je je eigen geheugen na een nachtje stappen al niet eens meer kan opsporen.

Noem het triest. Noem het plat vermaak. En ja, ik zou eigenlijk ook een goed boek kunnen gaan lezen. Maar aangezien mijn zussie mijn allessie is en ik uiteraard de beroerdste niet ben als ze samen met mij een avondje tv wil kijken en voor mij wil koken….

“Wit of rood?”
“Wat?”
“Wat voor saus wil je bij de pasta vanavond? Wit of rood?”

Oh oh. En een bord spaghetti met roomsaus zal nooit meer hetzelfde zijn.