Over dood en mayonaise

Je hebt in deze wereld twee soorten mensen.
Mensen die bang zijn voor de dood.
En mensen die daar niets van snappen.

Het was niet uit gezelligheid dat we dit onderwerp bij een glaasje wijn op de bank serveerden. Als het aan mij ligt hebben we het er per definitie namelijk helemaal niet over. Punt is, dat als je net bij een crematie bent geweest, de dood als gespreksonderwerp vermijden net zoiets is als het niet over mayonaise mogen hebben als je frieten aan het eten bent.

Nu waren we geen frieten aan het eten, maar waren we dus wel bij een crematie geweest. En zoals dat gaat bij dit soort bijeenkomsten, ontkom je er toch niet aan dat je op een gegeven moment zo’n situatie op jezelf gaat betrekken en je bedenkt hoe het zou zijn als jij of jouw naaste daar in die kist zou liggen. Of een kartonnen doos. Want dat is volgens hem milieuvriendelijker.

Terwijl ik me afvraag of karton inderdaad milieuvriendelijker is dan hout (is mayonaise echt slechter dan fritessaus?), vraag ik me nog meer af hoe het dan zal zijn. Als die ander er niet meer is.
Ik zeg dat ik echt wel zal huilen. Hard.
Hij zegt dat het nou eenmaal gewoon zo is. De dood.
Waarop ik antwoord dat hij dus eigenlijk zegt dat ik net zo goed eerder dood kan gaan dan hij ‘want het kan hem toch niks schelen’.
Rode wijn is niet altijd goed voor relativeringsvermogen.

Ik wil het er liever niet meer over hebben, maar zoals dat gaat met dit soort avonden, laat het onderwerp je niet meer los. Wie één frietje pakt…

Ik zeg dat vooral ‘het grote niets’ mij beangstigt. Dat het allemaal ineens ophoudt. Het leven, het bestaan. En wat dan?
Wat dan? Wat dan niets. Want waarom zou er wat zijn? We worden geboren, we gaan dood en daartussen in proberen we iets van ons leven te maken. Simpeler ligt het volgens hem niet. Het zou zowaar een mooie slogan voor de dood kunnen zijn: ‘Leuker kunnen we het niet maken, dus hebben we het maar alvast lekker simpel gehouden.’ (Wie wil nou uit 80 sauzen bij zijn friet kiezen?)

Ik vind de dood echter helemaal niet simpel. Ik raak al in paniek als ik bedenk dat ik eigenlijk helemaal niet weet wat voor muziek hij eigenlijk bij zijn kartonnen doos wil hebben. Wat als ik het verkeerde draai? Ja, dood is dood en nee ik-weet-heus-wel-dat-hij-er-dan-niets-meer-van-mee-krijgt, maar omdat ik ondanks mijn angst voor het grote niets toch wel het gevoel heb dat er iets is, wil ik graag alle mogelijke doemscenario’s uitsluiten en voorkomen dat hij ergens boven die kartonnen doos met rollende ogen zweeft omdat ik per ongeluk een muzikale blunder heb begaan.

Hij zegt dat het echt allemaal wel mee zal vallen.
Ik weet het nog net zo niet.
Want wat als hij er dan niet meer is, wie vertelt mij dan dat het allemaal wel mee zal vallen? En wie zegt dan dat iets niet per se beter is dan niets? En waar haal ik dan een kartonnen doos vandaan die stevig genoeg is aan de onderkant om er niet uit te vallen maar wel echt milieuvriendelijker is dan hout?

Dan zegt hij dat het nu wel genoeg is geweest met de rode wijn en tijd om naar bed te gaan. De dood komt wel een keer.

De dood komt wel een keer.

Je hebt in deze wereld twee soorten mensen.
Mensen die bang zijn voor de dood.
En mensen die liever ketchup bij hun frieten hebben.

Het had zomaar gekund

Ik ben een grote aanhanger van het ‘wat als’ scenario. Of, positiever gezegd, van het ‘stel je eens voor’ scenario. Scenario’s die betrekking hebben op het alledaagse leven waarin de onbegrensde mogelijkheden zegevieren.

Want, stel je toch eens voor, dat je vanochtend niet de deur uit was gestapt om naar werk te gaan, maar – doe es gek – de eerste de beste bus naar Boerenhol had gepakt? En dat je daar je lunch niet doorbracht met kleffe boterhammen met kaas en automatenkoffie, maar ‘blooker tied’ vierde met een heuse papkoek.
Het had zomaar gekund.

Of wat als je op een zwoele zomeravond besloot de nacht niet zwetend, draaiend en starend in een te warme kamer zonder ventilator of airconditioning door te brengen, maar gewoon een slaapzak in de tuin gooide en erachter kwam dat die glow-in-the-dark sterren op je plafond het toch echt niet halen bij de real deal. En dat die echte sterren nog kunnen vallen ook. En dat je dan tenminste een andere wens kon doen dan dat die plakstrips op die plastic sterren nou eindelijk eens bleven zitten.
Het had zomaar gekund.

Het ‘wat als’ / ‘stel je eens voor’ scenario kan overigens ook lugubere vormen aannemen. Want ‘wat als’ je op die bochtige dijk niet netjes af zou remmen voor iedere bocht, maar gewoon vol gas rechtdoor zou blijven rijden? Of ‘wat als’ je die vervelende klant na dat ene telefoontje letterlijk alles zou aandoen wat zich in je hoofd afspeelt (vraagje: zou het lastig zijn om in je eentje iemand naakt vast te binden aan een lantaarnpaal en roze prinsessenvleugeltjes aan te trekken?) Ik bedoel, wie heeft zich nou nooit eens ingebeeld hoe je lichaam de betonnen straatstenen kust als je zojuist van de twaalfde verdieping bent gesprongen?
Ondenkbaar? Wellicht.
Maar het had zomaar gekund.

De aantrekkingskracht van het ‘wat als’ / ‘stel je eens voor’ scenario zit hem dan ook niet in het al dan wel of niet uitvoeren van die gedachte, maar puur in de mogelijkheid dat het kan. Dat het in theorie zomaar zou kunnen. En als die gedachte zich eenmaal in je vastgeroeste brein vol routine heeft ingenesteld, dan blijkt de wereld ineens één groot vat vol mogelijkheden en kun je de deur niet meer uitstappen zonder een constante stroom aan potentiële ‘wat als’ / ‘stel je eens voor’ scenario’s te spotten.

Want, stel je eens voor, dat ik in plaats van het schrijven van deze column in volle vaart over de dijk richting het centraal station van Warffum was gereden om daar in klederdracht de horlepiep te dansen.
Het had zomaar gekund.

 

Werk

Ik vraag me wel eens af wat we allemaal op werk doen als anderen er niet bij zijn. Maar eigenlijk vooral wat ánderen op hun werk doen als ik er niet bij ben. Of, nog specifieker gezegd, wat mensen die ik ken op hun werk doen als ik er niet bij ben.

Werken doen we allemaal. Of wellicht niet allemaal, maar ik denk dat ik wel kan stellen dat het gros van ons toch minstens een x-aantal uren doorbrengt in een afgesloten ruimte die we al dan niet kantoor of werkplek noemen.

Zo werkt die lange van mij op de universiteit. ‘Projectmedewerker huisvesting’ heet hij daar. Wat dit precies betekent zou ik niet met zekerheid durven zeggen, maar als mensen het me toch vragen tijdens een verjaardag tussen taart en borrelnoten door, dan zeg ik dat hij verhuizingen coördineert. Of hij zich hier ook letterlijk 32 uur per week mee bezighoudt weet ik niet (hoeveel kan er op zo’n universiteit nou verhuisd worden?). Wel weet ik dat hij vier dagen per week van dinsdag tot en met vrijdag om 07:15 richting de trein vertrekt om meestal rond 17:45 weer thuis te komen. Wat hij in de tussentijd uitspookt? Géén idee. Niet dat ik niet zo sociaal ben om na iedere werkdag de standaardvraag te stellen: ‘En, hoe was het op je werk?’ Maar de antwoorden die je daarop krijgt luiden vaak niet veel meer dan de korte eenlettergrepige keelklanken als ‘leuk’, ‘druk’, ‘goed’, ‘watetenwevanavond’.

En dat houdt me bezig. Niet zo constant als waarom cavia’s zo obees kunnen raken van slechts groenvoer, maar toch, het laat me niet los. Want hoe brengt hij zijn dag eigenlijk door? En met wie? Natuurlijk ken ik wel namen van collega’s en heb ik met enkelen zelfs wel eens een hand of een woord uitgewisseld. Maar wie ze verder zijn en hoe ze zich naast collega zijnde verder verhouden tot hem, daar heb ik geen weet van. Halen ze koffie voor elkaar of ieder voor zich? Wordt er uitgebreid bijgekletst over het weekend? Gelachen om grapjes van hem? Of is hij juist niet de kantoor lolbroek en lacht hij om grapjes van anderen? Wordt er wel gelachen? Of alleen hard gewerkt? En wat voor werk dan precies? Heeft hij vaste mailcontacten die hij wekelijks digitaal spreekt? En hoe ziet zijn bureau er eigenlijk uit?

Allemaal vragen waar ik geen antwoord op heb. Best vreemd als je samenwoont met iemand die je denkt helemaal, of in ieder geval voor een groot deel, te kennen. Want hoe goed ken je iemand als diegene zo’n 20 procent van zijn wekelijkse tijd in een vacuüm van het grootse mysterie doorbrengt?

Het zou zelfs zomaar kunnen dat hij om 07:15 helemaal niet naar zijn werk vertrekt, maar misschien wel iets heel anders gaat doen. Dat hoor je toch wel eens, van die verhalen van mensen die ontslagen zijn, maar nog jarenlang de schijn ophouden? Of misschien is hij wel helemaal geen projectmedewerker huisvesting, maar slijt hij zijn dagen als schipper op een veerpont. Of is hij mysterieshopper en moet hij in alle supermarkten de bloemkolen testen. Het zou zomaar kunnen.

In wezen zouden we allemaal een geheime droombaan kunnen hebben. Of een geheime minnares. Want wie weet wie er achter al die mailtjes over verhuisdozen verscholen zit. Of wie er ín die verhuisdoos zit.

Misschien is het maar goed dat we niet alles van elkaar weten. En dat werk uiteindelijk ‘gewoon maar werk’ blijkt te zijn. Een activiteit die leuk, druk of goed is en waarna je met een korte keelklank kan aanschuiven aan de gestoomde bloemkool in kerriesaus.