Ruzie

Bzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzz
“Mvhind jij mwons vzsaaai?”
“Wat?”
Bzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzz
“Mvhind jij mwons vzsaaai?”
“Wat?”
Bzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzz
“Mvhind jij…”
“Ja, ja. Als je even die elektrische tandenborstel uit je mond haalt kan ik er wellicht ook wat van verstaan.”

Stilte.

“Ik vroeg: Of jij ons saai vindt.”
“Saai? Wie? Wij? Hoe bedoel je?”
“Nou, gewoon. Zoals ik het zeg. Vind jij ons een saai? Als stel bedoel ik.”
“Hoezo zou ik ons saai vinden? Hoe kom je daar nou ineens bij?”
“Nou, ik zag dat programma net…”
“Oh God! Ik wist het. Mevrouw zapt langs één programma met ruzie-makende mensen en denkt meteen dat wij saai zijn!”
“Neehee. Zo bedoel ik het niet. Of nou ja, vind jij het niet gek dat wij nooit ruzie maken?”
“Eh nee. Dat vind ik niet gek nee. Of zou jij lekker bekvechtend door het leven willen gaan als dat ene stel?”
“Neehee, natuurlijk niet! Maar misschien vind ik het nog wel erger om zo’n soort perfect ‘Tooske en Bastiaan EO verantwoord’-stel te zijn.”
“Nou, geloof mij, dat zijn we ook niet hoor.”
“Hoe bedoel je?”
“Wij? EO?”
“Ja, ha ha. Je weet best wat ik bedoel. Even serieus.”
“Serieus? Nou, ruzie maken is één ding, maar perfect zijn is iets anders.”
“Vind jij ons niet perfect dan?”
“Nee. Jij wel?”
“Ehm. Nee. Maar daarom is het wel gek dat we nooit ruzie maken.”
“Want? Alleen perfecte stellen maken geen ruzie?”
“Nou, dat lijkt me ergens wel een logische en normale conclusie ja.”
“Maar misschien zijn wij wel helemaal niet logisch en normaal.”
“Hoezo dat dan weer?”
“Nou, omdat jij bijvoorbeeld altijd alle lekkere nootjes uit de pepitamix vist.”
“Wat is dat nou weer voor een opmerking?!”
“Of…omdat je steeds je fiets buiten laat staan terwijl je weet dat je hem helemaal niet meer gaat gebruiken en dus best al lang in de schuur had kunnen zetten.”
“Nouja!”
“En als je de tussendeur dicht doet, dat trek je hem altijd dicht, in plaats van normaal de klink omlaag te doen. En dan maar zeuren dat die deur lam wordt.”
“Dat lieg je!”
“Niet!”
“Wel!”

Stilte.

“Wat lach je?”
“Niks.”
“Wat niks? Wat lach je nou?”
“Dat het je is gelukt.”
“Wat?”
“Ruzie.”
“Ruzie?”
“Ja. Mag ik nou de elektrische tandenborstel. Kunnen we eindelijk als niet-saai stel naar bed.”

Bzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzz

zwartwit

Zingen met hart en ziel

Ik heb kei-veel zin in live karaoke, thuis staan vreemde Afrikaanse liedjes op de computer via Youtube op repeat, en als ik voor de zoveelste keer ‘It’s a wonderful world’ inzet in het oor van mijn vriendje wordt mij vriendelijk doch dringend verzocht of ik misschien even op kan houden met zingen.
Maar dat kan niet. De komende vijf weken niet. Dan ben ik namelijk weer volledig in de ban van de zangcursus, die ik inmiddels voor de vierde keer volg.

Zingen met hart en ziel. Het mag misschien klinken als een suffe cursus vol grijze tantes die door middel van hun stembanden op zoek gaan naar zingeving, ik kan niet meer zeggen dan dat je er stoned van vrolijkheid weer vandaan komt.

‘Iedereen kan zingen’, is het motto van onze zangleraar Ronald. ‘Goed of minder goed, dat maakt niet uit, maar iedereen kan het’. Iets waar overigens lang niet alle cursisten van overtuigd zijn. Op één dappere nachtegaal na die hard durft te roepen dat ze vroeger altijd te horen kreeg dat ze zo goed kon zingen, vallen de meeste reacties in de categorie ‘ik kan niet zingen’, ‘ik kan echt niet zingen’, ‘ik kan eeeeecht niet zingen’. Je zou je bijna afvragen wat deze krasse kraaien dan bij een zangcursus komen doen.

Maar dat is dus juist wat Ronald zo stoort. Die stembandtrauma’s. Het feit dat zingen wordt benaderd als een kunst die alleen voorbehouden is aan degenen die het écht kunnen. ‘In Afrika, daar zingt iedereen.’, zegt Ronald. ‘Jong, oud, man, vrouw. Iedereen zingt. Uit volle borst. Niet dat ze allemaal een even mooie stem hebben. Bij lange na niet. Maar ze zingen wel. Allemaal!’ En waarom zou dat hier niet zo mogen zijn? Waarom mogen hier alleen degenen met de X-factor zonder gêne hun mond opentrekken? Omdat zingen alleen voor echte Kinderen voor Kinderen sterretjes is? Of ook voor de wannabe’s die misschien niet zo’n mooie gooische ‘r’ hebben, maar minstens met net zoveel plezier alle deuntjes meeblèren. Gewoon, omdat het zo fijn is. Omdat zingen vrolijk maakt. Omdat het goed is voor je lijf, je gemoed en je humeur.

En dus zingen we. Vijf weken lang. Uit volle borst. En met hart en ziel. De eerste keer nog wat schuchter, maar naarmate de lessen vorderen steeds luider en zelfverzekerder. Want potjandorie, wat hebben die Afrikanen dat goed bekeken! Gewoon, niet zeuren, maar zingen! Van morokeni tot siyahamba en van olejo tot banaha. Hoe meer we durven, hoe losser we worden en hoe losser we worden, hoe meer we durven. En wat blijkt? We kunnen inderdaad allemaal zingen! Ja, echt, al-le-maal! De een hoog en zacht, de andere vol en laag, de volgende met verrassende melodieën en zo blijkt dat ieder een eigen unieke sound heeft. En dat je door al die sounds samen te brengen best wel een mooi geheel krijgt. Wat zeg ik: heel mooi! Wie had dat gedacht?

En zo zit ik dus vijf weken lang iedere donderdagavond zingend op de fiets. Niet omdat ik nou zo’n mooie nachtegaal ben, maar wel omdat ik als dappere dodo mijn inner-merel heb ontdekt en nu weet hoe fijn het is om deze af en toe eens heerlijk schaamteloos te laten fladderen. Gewoon, omdat het kan. En omdat ik met hart en ziel geloof dat we van die Afrikanen nog wel wat kunnen leren.

gg-97

Seks aan de keukentafel

“Zal ik je anders zo even wat seksuele voorlichting geven?”

Nee, dit is niet wat het lijkt. Of nou ja, ik zou willen dat het niet is wat het lijkt. Of in ieder geval dat het niet is alsof het lijkt dat mijn moeder zojuist echt deze vraag aan mijn vriend heeft gesteld. Nog voor het toetje. Of dat mijn zusje er daarna nog een schepje bovenop doet door eraan toe te voegen dat ze hoopt dat het wel een theorieles is. For heavens sake!

Welkom. Welkom aan de eettafel van mijn familie. Vader, moeder, nog thuiswonend zusje en ik. Hoewel, ik zeg wel ‘ik’, maar er echt bij horen doe ik natuurlijk al ruim 12 jaar niet meer. Nee, ik ben ‘gast’. Wat overigens met enig cynisme uitgesproken dient te worden. De gast hier is namelijk niet de vreemdeling die hartelijk ontvangen wordt, maar de afvallige die maar beter haar plek aan de keukentafel kent.

“Aan de deur wordt niet gekocht!”
Het is nooit moeilijk te gokken wie na het aanbellen de deur opendoet. Hoewel mijn vader inmiddels ook de joviale binnenkomer “Joooooochiiiieeeesss!” als veelgebruikt alternatief toepast, blijft de grap van de pratende nee-nee-sticker veruit favoriet.

Mams is altijd blij ons te zien. Het is immers altijd weer “veel te lang geleden”, dat we langs zijn gekomen en ze heeft eten in huis gehaald waar de hamsters van de Albert Heijn jaloers op zouden zijn. Tip voor als je gaat eten bij mijn ouders: sla je lunch over. En neem een tupperware-bakje mee.

“Gezellig hè? Zo’n Paasdiner?” Dat Tweede Paasdag eigenlijk net zo niet-pasig is als Tweede Kerstdag niet-kerstig is, dat houd ik maar voor mezelf. Net zoals mijn opvatting dat een Paasdiner niet meer is dan een commerciële uitbuiting waar de hartjeskaarten van Valentijn nog wat van kunnen leren. Maar goed, gezellig is het wel. Daar heeft mijn moeder dan weer gelijk in.

Ook zusje is inmiddels uit de catacomben van haar slaapkamer gekropen. Net klaar met werk, dus make-up-loos en joggingsbroek-rijk. Maar uiteraard wel met een paar nieuwe outfitjes achter de hand om even te showen. Geen diner zonder modeshow. Daar kwam mijn vriend al vroeg achter toen hij zich nog nietsvermoedend aan mij verbond. Daar waar hij bij onze eerste zoen nog geen bikini van bh kon onderscheiden en een rokje steevast aan zag voor een jurkje, is hij inmiddels zo geïntegreerd (geïndoctrineerd?), dat hij zelfs weet wat ‘pailletjes’ zijn. En hoe mijn zusje zich midden in de woonkamer omkleed voor een andere showoutfit.

Het voorgerecht. Ei met asperges in ovenschaaltjes met hartjes. “Leuk hè? Gescoord op Marktplaats! Samen met nog wat borden. Zo leuk! Daar is je zusje nu etagères van aan het maken. Laat eens zien!”
Alle borden op stokjes, een schilderij van stof en nog wat marktplaats pareltjes verder is het voorgerecht bijna koud, maar krijgen we door de hartenbakjes in ieder geval alsnog van binnen een warm gevoel.

Dan, de telefoon. Een deuntje met oorverdovende marsmuziek, wat een soort van kanonsschot is voor een oorverdovend gesprek dat mijn vader voert met iemand die ene hele slechte verbinding heeft. Althans, zo lijkt het. Als je mijn vader niet beter kent. Wij kennen hem inmiddels wel beter en weten dat hoe goed de verbinding ook is, hij tijdens een telefoongesprek maar één volumestand heeft: heel hard.

Sterf!

“Zei jij nog sterf?” Mijn zusje begint keihard te lachen.
Mijn vader probeert tevergeefs het misverstand te herstellen dat hij “Dag, Stef!” zei, in plaats van “Dag! Sterf!” Maar het hek is al van de dam. De rest van het diner wordt sporadisch schreeuwend omlijst met deze vier letters en nog veel meer uitroeptekens. “Ruim jij even af?” “STERF!”

“Goh, het gaat er bij jullie aan de keukentafel wel altijd fel aan toe hè?”, zei mijn vriend met een wit weggetrokken gezicht na een van de eerste etentjes bij mijn ouders. Daar waar ik eerst geen idee had wat hij bedoelde, kan ik nu het perspectief waar hij mee kijkt wel begrijpen. Vergeleken met zijn ouders, zijn mijn ouders een losbandig stel hippies, waar de tieten en de piemels tussen de gangen door niet geschuwd worden (spreekwoordelijk dan hè! We zijn hippies, geen neanderthalers).

Een puntje van aandacht dat overigens ook verder in mijn familie ingeworteld zit. En zo kom je van Pasen bij paaseieren, een appje van een oom over gekleurde ballen, een toneelstuk over een vrouw die niet wist dat een man maar twee ballen heeft, tot mijn moeder die mijn vriend vraagt hoe het eigenlijk met zijn ballen gesteld is.

“Iemand een likeurtje? Nog een biertje?”
“Sterf!”

Ik stop een paasei in mijn mond. En terwijl mijn moeder ons tupperware-bakje vol schept kan ik niet anders denken dan “Hè, wat gezellig om weer even thuis te zijn.”

Hartjes