Mam, ik bel je

Mijn moeder heeft een telefoontrauma. En dat is allemaal mijn schuld. Sinds ik haar ooit een keer heb verteld dat ze echt niet zo vaak hoeft te bellen, leeft ze in een voortdurende strijd tussen wanneer ze wel en wanneer ze niet kan bellen.

Maar wat wil je, als je als kersverse student intrek hebt genomen in je eerste studentenkamer. Je ein-de-lijk op eigen benen staat. Je stoer en onafhankelijk bent. Je de hele wereld aan kan. En…iedere avond wordt gebeld door je moeder. Op de gezamenlijke telefoon. In de gang. Van het studentenhuis. (Want ja, het was nog die goeie ouwe tijd dat bellen naar een vaste telefoon goedkoper was dan naar een mobieltje).

Nu is die goeie ouwe tijd inmiddels zo’n 13 jaar geleden, maar de woorden ‘Mam, je hoeft echt niet iedere avond te bellen’ klinken in mijn moeders oren ook nu nog als een echo waar ze maar niet vanaf komt.

“Je belt eigenlijk alleen als het niet goed met je gaat”, zegt mijn moeder op een ietwat verwijtende toon. Ik denk dan: Fijn toch! Geen bericht is goed bericht. Want zo vaak gaat het eigenlijk niet níet goed met me. Bovendien, wat moet ik vertellen als het gewoon goed met me gaat? Wat ik allemaal doe gedurende een dag? Dat er vrienden kwamen eten? Dat de kat kotste in de convectorput en dat het toch echt eens tijd wordt dat we wat aan die bermuda-driehoek gaan doen?

Maar ik voel me ook wel schuldig. Want diep van binnen weet ik ook dat een moederhart eigenlijk gewoon ‘even gezellig wil kletsen’. En dat ik haar door het veroorzaken van het telefoontrauma dat voorrecht heb afgenomen. Het enige dat haar rest is dus te wachten tot ik bel. Waarbij ze meestal ontredderd en in totale deceptie wordt afgescheept met een whatsappje.

Tot afgelopen week. Ik besloot eindelijk eens over mijn voorbeeldige dochtershart te strijken en mijn moeder te bellen. Om vervolgens mijn vader aan de lijn te krijgen. En met het moment dat hij klaar is met zijn verhaal en de hoorn op de haak wil leggen, zie ik voor me hoe mijn moeder achter hem wild zit te gebaren en roept: “Ik wil ook nog!”

Met een diepe zucht krijg ik haar aan de lijn.
“Had ie toch bijna je schaarse telefoonmomentje met mij afgepakt”, zeg ik.
“Ja”, zegt ze, “bijna wel. Maarre…gaat het wel goed met je? Ik bedoel, dat je belt.”
“Ja mam, het gaat goed. Ik bel gewoon even om te kletsen.”
“Oh…Gelukkig. Gezellig.”

Haar verhaal

‘Ik vind alles zo saai. Er valt niets concreet te klagen, maar er valt ook niets concreets te juichen.’

Het zou een zin uit een boek kunnen zijn. Een goed boek. Zo’n boek waarin uiteindelijk toch alles weer op zijn pootjes terecht komt en je het met een gerust hart dicht kunt klappen. Eind goed, al goed.

Maar het was geen boek. Of, nou ja, niet dat boek. Het was haar verhaal. Het was haar angst. De angst om vergeten te worden. Of nee, niet dat. Eerder de angst om te verdwijnen in de massa. Om ‘gewoon’ te zijn. Om nooit de middelmatigheid te overstijgen. Om altijd dat meisje te blijven dat ‘zulke leuke praatjes bij de film’ houdt. Maar het lokale filmhuis nooit zal overstijgen.

Het ‘net niet’ syndroom. Misschien was dat wel waar ze het het meeste bang voor was. Het gevoel het wel voor het grijpen te hebben, maar er uiteindelijk toch net niet bij kunnen. Niet dat ze nu zo ontevreden was. Ze wist heus wel dat ‘tevredenheid’ geen vies woord zou hoeven zijn en dat als je niets concreet te klagen hebt, het heus niet erg is als je niet constant staat te juichen.

Maar toch…

Haar gedachten gaan terug naar de documentaire die ze gisteren zag. Waarom koos ze toch altijd van die naargeestige films uit precies als ze alleen thuis was? Of was dat toeval wellicht toch niet zo toevallig en zocht ze in haar onderbewuste bewustzijn gewoon naar manieren om te kunnen zwelgen in haar gedachtes?

De documentaire ging over narcisme, maar ook over het ego. Over de toenemende maatschappelijke obsessie met onszelf. Over geliefd zijn. Geliefd worden. Populariteit. Likes. Succes?

Het zette haar aan het denken. Want wat is nou eigenlijk de definitie van succes? En kun je dat überhaupt wel meten? Als je 10.000 likes krijgt, ben je dan succesvoller dan iemand met 10 likes? Je zou zeggen van wel. Maar wat als jouw boek geen bestseller is, maar wel een aantal mensen écht weet te raken. Wat is dan belangrijker? Kwantiteit of kwaliteit?

Ze dwaalde af. Misschien moest ze maar gewoon eens zo’n standaard serie op Netflix gaan volgen. Een narcist was ze geenszins, hoewel ze dat stiekem wel jammer vond. Paradijsvogels zijn immers nooit saai.  Die zorgen er wel voor dat er altijd wat te juichen valt.

Ze liet haar oog nogmaals vallen op het boek op haar schoot.
Ja, haar leven zou zomaar een zin uit een boek kunnen zijn.

Reiswee

Het begint al op het moment dat je het vliegveld op komt lopen. Er hangt een bepaalde spanning in de lucht. Mensen met koffers en onbekende bestemmingen. Het ruikt naar vrijheid. Naar verhalen. Naar avontuur.

Avontuur dat begint zodra de stoelriemen zijn vastgeklikt. Een vacuüm van niets ligt voor je. Nog even kijk je uit het raam. Over een paar uur zal het grijze uitzicht vervangen worden door een nieuwe wereld. Het is als de magische deur met glittergordijn bij de mini-playbackshow van vroeger. Je voelt de kriebels in je buik toenemen. Beneden wordt de wereld steeds kleiner. Net zolang, totdat deze opgaat in het niets en het enige wat je kan doen is, wachten tot een nieuwe wereld achter de wolken tevoorschijn komt.

De eerste indrukken komen als een deken vol geur en kleur je poriën binnen. Het ruikt anders, het voelt anders, het klinkt anders. Met je hoofd in een andere tijdzone voel je een zwoele lentebries langs je wangen strijken. Even sluit je je ogen en laat je de nieuwe indrukken bij je binnenkomen. Je voelt je moe en opgewonden tegelijk. De opwinding wint het totdat het je is gelukt in een vreemde taal in een vreemde stad je bed te vinden. Je sluit je ogen en weet…het is begonnen!

De weken daarna is als een explosie voor al je zintuigen. Niet alleen de omgeving is anders, maar ook jij voelt je anders. Het is alsof je lijf deze nieuwe wereld langzaam absorbeert en deel van je laat uitmaken. Alles gaat in het kwadraat. De leuke, maar ook de minder leuke momenten. Toch weet je ook die momenten (de lange busritten, de diarree, de muggenbulten) te koesteren.

Ondertussen lijkt thuis als een herinnering naar de achtergrond te vervagen. Hoewel je weet dat het punt langzaam dichterbij komt dat deze vertrouwde wereld weer bij je aanklopt. Maar nu nog even niet. Nog heel even niet. Laat me nog héél even aan deze kant van dat glittergordijn zijn. Zelfs als ik weet dat aan de andere kant het bed zachter, het brood bruiner en de muggen kleiner zijn. Heimwee heb ik zelden. Reiswee daarentegen…

Dat is het gevaar met glittergordijnen. Als je er eenmaal doorheen bent geweest en de andere kant hebt gezien, is de kans groot dat je de rest van je leven als ekster verslaafd bent aan avontuur. En de kriebels die je daarvan krijgt, die zijn groter dan de grootste muggenbulten.