It’s all about the money

Geld.
Ik vind het maar een lastig iets. Je moet er niet teveel waarde aan hechten, maar feit is dat het een bepaalde waarde heeft. Het maakt niet gelukkig, maar (het gebrek eraan) vaak wel ongelukkig. Je kan er geen lang en gezond leven mee kopen, maar wel goede medische hulp. En hoe graag je soms ook zonder zou willen leven, uiteindelijk heeft iedereen het wel nodig.

“Ik geef niet om geld”, hoorde ik laatst iemand zeggen. Een mooie uitspraak. Nobel ook. Niet om geld geven in deze maatschappij is lastig. Want het bijna alles in deze wereld draait om geld. Het boeiende aan deze uitspraak is dan ook, dat deze vaak gedaan worden door mensen die het zich kunnen permitteren. Door mensen die de ruimte hebben om de inhoud van hun portemonnee niet leidend te laten zijn. Immers, als je genoeg geld hebt, dan hoef je er niet zoveel waarde aan te hechten. Wat maakt dan die ene duizend euro meer of minder nog uit? Het biedt de kans om je te richten op andere zaken. Qualitytime of mooie herinneringen. Die je uiteraard maakt aan de andere kant van de wereld, want als geld er niet toe doet, dan is zo’n vliegticket zo geboekt. Hoe onbelangrijker het is, des te harder het rolt.

Tenzij er weinig is om mee te rollen. Dan heb je niet de vrijheid om ervoor te kiezen geld niet belangrijk te vinden. Dan móet je er wel waarde aan hechten, want zonder geld geen eten, huis of andere eerste levensbehoeften. Hoe gelukkig je verder ook mag zijn, zonder eten en onderdak houdt je geluk snel op.

En dat vind ik ook meteen het lastige aan de hele kwestie: dat het uiteindelijk allemaal begint met geld. En het daar vaak ook bij op lijkt te houden. Niet dat ik niet vind dat er dingen zijn die in al hun essentie veel belangrijker zijn. Want dat vind ik juist wel. Mede daarom is het zo lastig dat geld vaak zo’n grote rol speelt en dat er op veel vlakken meer waarde aan wordt gehecht dan eigenlijk zou moeten. Het is een vicieuze cirkel waaruit het moeilijk ontsnappen is.

Geld bepaalt waardes. Het bepaalt rangen en standen. Maakt onderscheid. Drukt een stempel. Ben je rijk of ben je arm? Heb je een hoog- of heb je een laagbetaalde baan? Ben je succesvol of ben je een loser? Draag je dure merken of naamloze vodden? Hoor je erbij of juist niet?

En als je dan zou mogen kiezen: Ben je dan liever rijk of gelukkig? Naar het antwoord hoef je bij veel mensen vast niet te gissen. Uiteindelijk streeft iedereen toch naar geluk. Met of zonder dikke portemonnee. Maar waarom laten we ons in ons geluk dan zo vaak leiden door geld? Omdat we echt niet zonder kunnen? Of omdat we denken dat we niet zonder kunnen? Of in ieder geval denken niet met minder te kunnen. Less is more wordt vaak gezegd. In de praktijk zijn we echter vaak nog steeds geneigd om te kiezen voor More is more. Of more is even better.

Maar wat als we nou besluiten dat we de basiswaarde van geld wel erkennen, maar daarnaast ook beseffen dat geld niet alles is? Dat we de keuze hebben om geld zo belangrijk te laten zijn als dat het nodig is? En niet meer dan dat? Klinkt simpel, klinkt logisch, maar is een redenatie die in de praktijk nog vaak vergeten wordt. Kiezen voor een onbetaalde versus een betaalde opdracht omdat je die onbetaalde opdracht leuker vindt blijft ergens toch wel een taboe. Net zoals minder werken omdat je meer vrije tijd wilt. Of je vrijstaande huis verruilen voor een klein appartement. Gewoon, omdat dat je gelukkiger maakt.

Maar ja, dan begin je weer van voor af aan. Want is die keuze om het met minder te doen niet ook gewoon een luxepositie? Een teken dat laat zien dat we het ons hier kunnen permitteren om te kiezen voor geluk in plaats van geld? Wat wat als je nou minder zou willen werken, maar dit om financiële redenen juist niet kan? En je juist blij mag zijn dat je net aan de huur kan betalen van dat kleine appartement?

Ik denk, ik schrijf en kom er niet uit. Die cijfers en nullen zijn zo verweven met alles wat we doen en laten, dat ontsnappen aan die cirkel haast onmogelijk is. Ik wil er minder om geven, maar er geen waarde aan hechten is eigenlijk onmogelijk. Want in the end – hoe erg ik het ook vind –  is het voor het grootste deel in deze wereld toch ‘all about the money’. Het is alleen zo verdomde jammer dat het geluksdubbeltje uiteindelijk nergens te koop is.

lucky-penny-one-dollar

 

Een vieze vuile val

Ik ben een slechte huisvrouw. Of, in ieder geval, een luie. Het zit erin, het sluipt eruit en zonder dat je het weet ben je het. Het lef hebben het te erkennen kan soms even op zich laten wachten (net zoals die badkamer die toch eigenlijk vorige week al gedaan had moeten zijn), maar gelukkig zijn er nog altijd moeders om je daar een klein beetje bij te helpen.

“Dus je gaat de ramen zemen? Ja dat wordt wel eens tijd! Ik durfde het al bijna niet te zeggen, maar als de vogelpoep die er een maand geleden al zat nog steeds midden op dezelfde plek op de ruit zit, dan mag er wel eens wat gebeuren. Om over de rest van vuile waas nog maar niet te spreken. Vind je het niet fijn om in een schoon huis te zitten?”

Natuurlijk wel. Ik ben geen viezerik. Sterker nog, ik kan juist helemaal niet tegen rommel en chaos. Orde in huis is orde in mijn hoofd. Maar dat neemt niet weg dat ik het huishouden eigenlijk gewoon een ondankbare taak vind waar ik steeds weer met frisse tegenzin aan begin. En dat ik sommige minder urgente klussen soms liever wat langer laat liggen omdat ik gewoonweg wel wat beters te doen heb. Neem dat ramen zemen. Ik geef toe dat één keer per jaar misschien wat weinig is. Maar je raakt nou ook niet echt gemotiveerder wanneer je de boel net hebt gedaan en er meteen zo’n dikke dolly de boel weer onder komt schijten. Om over de pootjes van poes (‘Hallo, ik wil naar binnen!’) nog maar te zwijgen. Iets wat mijn moeder overigens niet doet.

“Zal ik je anders een keer komen helpen? Die voortuin kan toch eigenlijk echt niet meer. Het gras groeit tussen de tegels! Heb je zo’n mooie ruime tuin, doe je er niks mee. Zonde toch! Een beetje wieden, paar leuke plantjes er bij en het is al een compleet ander gezicht. Voor de buren ook wel zo fijn om tegen een nette tuin aan te kijken.”

Ik verbaas me er soms over. Hoe die buren en vele andere mensen alles altijd zo spik en span kunnen hebben. Van de voortuin tot de ramen tot de plintjes bij de trap. Hoe doen ze dat? Poetsen ze iedere dag? Dat moet haast wel! Als ik hier ’s ochtends een stofzuiger door het huis heb gehaald kun je er de donder op zeggen dat er ’s middags weer overal stof, zand en kruimels liggen. Hoe het gebeurt is mij ook een raadsel, maar als het dan toch zo gaat, dan kan die stofzuiger ook best een keer een dagje langer in de kast blijven staan.

“En als je dan toch de ramen gaat doen. Vergeet dan ook niet de deuren, deurposten en dat witte gedeelte daar onder je ramen. Dat zit helemaal onder de modder. Geen leuk werkje, ik weet het, maar dan is het in ieder geval wel weer lekker helemaal fris en schoon.”

Ja, en dat is dus het erge. Het punt waarop je er eenmaal aan begint. Het punt waarop je na net te lang afstel alsnog een afspeellijst met foute muziek aanzet (schoonmaken gaat op de een of andere manier stuken beter op de klanken van ABBA, Dolly Dots en Taylor Swift) en er al schoonmakend achter komt wat er eigenlijk allemaal vies is. Ramen zemen? Ho ho! Heb je die stoffige luxaflex al gezien? En die dode vliegen in de vensterbank? Ja, en niet alleen de ramen van het huis hè! Daar bij de garage en het schuurtje lijkt het al een half jaar alsof je in constante mist naar buiten zit te kijken. Pak dat nou ook nog even mee. Kun je daarna ook meteen de vloer even dweilen, dat pluizige vloerkleed uitkloppen, de wc poetsen, de afwas doen. En als je dan per ongeluk een vieze oven of vuile plintjes tegenkomt, dan is het hek van de dam. Het huishouden is niet alleen een ondankbare taak, het is gewoon een val. Het is een vicieuze cirkel waarin stof en vlekken met elkaar samenspannen om je altijd met meer werk op te zadelen dan je in eerste instantie dacht. Wist je voor je begon niet eens dat trapleuningen ook grijze wolken kunnen verzamelen, sta je voor je het weet driftig met je handen in het sop en vraag je je af waar het in godsnaam is misgegaan.

“Zo, dat ziet er netjes uit zeg! Ik was even bang dat ik je helemaal geen huishoudgenen had meegegeven. Maar lekker hè, zo’n schoon en fris opgeruimd huis. Dat geeft toch altijd veel voldoening. Nu alleen die voortuin nog een keertje. En ach, als we dan toch bezig zijn…”

Een mengsel van chloor, bleek en ammoniak stijgt naar mijn hoofd. Met mijn poetsdoek nog in mijn handen valt een blinkend schoon kwartje in een diepe diepe put. Het huishouden? Niet meer dan een vieze vuile ondankbare val.

black-and-white-dunny-housewife-quote-sarcasm

Puppy ogen

“Een maand? Zeg je nou een maand?! Jeetje meid, wat erg voor je! Pfff..ik zou er niet aan moeten denken. Vind het al erg genoeg als die van mij een weekend weg is! Laat staan vier weken! Nou, sterkte hoor. Ik heb met je te doen.”

Grote puppy ogen vol medelijden staren mij aan. Ik glimlach en knik vriendelijk terug, maar durf eigenlijk niet te zeggen dat ik het eigenlijk helemaal niet zo erg vind. Dat ik misschien stiekem wel een beetje de aanstichter ben. Dat ik hem heb aangespoord om dit te te doen. Niet omdat ik hem nou zo graag vier weken niet zie. Maar wel omdat ik hem dit gun. En je elkaar soms ook die vrijheid moet geven.

De puppy ogen tegenover mij veranderen in standje pitbull.
“Vrijheid? Vrijheid? Als die van mij zoiets zou willen, dan zou ik hem mooi zeggen dat hij de pot op kan met zijn vrijheid. Dan gaat ie maar hier een rondje met de racefiets. Of desnoods een dagje vissen. Maar een maand? Alleen? Zonder mij? Dacht het niet! Zo zijn we niet getrouwd!”

Getrouwd was wel mijn moeder. Met een beroepsmarinier. Paar maanden hier, aantal weken daar. Soms een tijdje thuis, dan weer een half jaar weg. Zo’n man die op zondag het vlees komt snijden. Tenminste, dat had hij kunnen zijn. Ware het niet dat ik het als kind nooit zo heb ervaren. Natuurlijk wist ik aan de ene kant niet beter, maar is het aan de andere kant van grote invloed geweest hoe mijn moeder hiermee omging. Nuchter.  Natuurlijk, ze vond het niet leuk, maar ze wist ook: het is zoals het is. Dit is wat hij doet, wie hij is en waar hij voor gaat. En als je van elkaar houdt, dan gun je elkaar dat.

De puppy ogen kijken mij weer met droevige blik aan.
“Kijk, ik gun hem best veel. En hij moet vooral doen waar hij zin in heeft. Maar ik zou het toch maar niks vinden hoor. Zo helemaal alleen thuis. En als hij dan ook nog niet eens iedere dag kan bellen. Wat als er wat met hem gebeurt? Of met mij? Alleen al van het idee kan ik nu al in paniek raken.”

Mijn vader en moeder schreven brieven. Die wegens vertraging vaak langs elkaar heen gingen. Mijn zusje en ik kregen mooie exotische kaarten. En zelfgemaakte doolhoven en puzzels die mijn vader op zijn veldbedje tekende. Af en toe werd er gebeld. En als hij een half jaar weg ging, kwam hij tussendoor nog even thuis. Feest en wennen tegelijk. Verwend worden met cadeautjes, maar ook weer omschakelen naar een ‘andere orde’. Niet meer met het bord op schoot voor de tv. Niet meer zomaar naast mama in bed kruipen. Ook de huiskamer ombouwen tot turnzaal en oefenen met handstand tegen de deur, werd niet echt juichend ontvangen. Net zoals het bericht dat ik mijn nek en ribben zwaar gekneusd had toen hij eenmaal weer ver weg op oefening was.

“Maar vind je het nou echt niet erg?” De puppy ogen kijken mij vragend aan. “Ik kan me niet voorstellen dat je het helemaal niet erg vindt. Een maand is lang hoor. Vergis je daar niet in. Maar goed, jij liever dan ik. Ik zou niet eens weten hoe ik alleen in dat grote bed in slaap zou kunnen vallen.”

Slapeloze nachten? Ik geloof vast dat mijn moeder ze heeft gehad. En ik geloof ook zeker dat ik er de komende maand vast wel een keer van zal balen dat hij er niet is. Als ik loop te stuntelen met de elektrische grasmaaier bijvoorbeeld. Of als alle plantjes in de moestuin spontaan besluiten in staking te gaan. Met een lekke band. Dat kommetje op de bovenste plank waar ik nét niet bij kan. Als poes weer eens heeft gekotst. Of de kattenbak vol gedeponeerd. Ik het kliko-buiten-zet-schema weer eens ben vergeten. Even heel hard iemand nodig heb om mijn frustratie tegen te uiten. Of mijn voeten tegen te warmen. Mee te knuffelen. Van te houden.

Ja, ik ga hem missen. Maar niet zoveel als dat wat hij zou missen als ik hem die ene maand niet zou gunnen. Nuchter in puppy ogen of niet. Ik mag hem in ieder geval begin juli weer met een kwispelstaartje omhelzen.

happy-dog-running-by-500px